
Een stichting verrichtte in opdracht koerierswerk. Voor dat werk werd gebruik gemaakt van een auto van de stichting. De belastingdienst merkte de opbrengst van het koerierswerk aan als inkomsten van de persoon die de werkzaamheden voor de stichting verrichtte. De stichting leed in het betreffende jaar een verlies van € 2.000. Om opbrengsten te kunnen toerekenen moet sprake zijn van een bron van inkomen. Voor de vraag of het koerierswerk een bron van inkomen vormde moet worden uitgegaan van de werkelijke opbrengsten en kosten, daaronder begrepen de per saldo betaalde BTW.
Op basis van de administratie van de stichting was Hof Den Bosch van oordeel dat er geen bron van inkomen was. De administratie bevatte geen uitgaven die geen betrekking hadden op de opbrengstgevende werkzaamheden van de stichting, zodat het resultaat daarvan negatief was. Daarmee was, los van de vraag of de stichting als fiscaal transparant moest worden behandeld, geen sprake van een bron van inkomen.