Geen toepassing vertrouwensbeginsel

Het feit dat iemand fiscaal in dezelfde situatie verkeert als een ander wil niet zeggen dat hij ook gelijk behandeld wordt als deze ander. Het is namelijk mogelijk dat bij de beoordeling van de positie van de andere persoon een fout is gemaakt, waardoor zijn aanslag lager is vastgesteld. Ook kan het zijn dat de inspecteur de betreffende aangifte niet uitdrukkelijk heeft beoordeeld en niet bewust op een ingenomen standpunt heeft gereageerd. Een belanghebbende kan een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel en op het vertrouwensbeginsel om gelijke behandeling te bewerkstelligen. Een dergelijk beroep wordt niet altijd gehonoreerd.

 

Twee broers verkeerden fiscaal in dezelfde situatie. Zij waren ieder voor 50% vennoot van twee VOF’s. De broers vielen onder hetzelfde kantoor van de belastingdienst. In hun aangifte IB 2001 namen zij het standpunt in dat zij recht hadden op de vrijstelling voor kwijtscheldingswinst. Nadat de belastingdienst een nadere toelichting had gevraagd en gekregen werd bij de ene broer de vrijstelling toegepast. Een andere medewerker van de belastingdienst stelde vragen over de aangifte van de tweede broer. Deze medewerker was het niet eens met de zienswijze van zijn collega en stond de vrijstelling voor kwijtscheldingswinst niet toe.

Hof Den Bosch was van oordeel dat de tweede broer ervan mocht uitgaan dat hij dezelfde behandeling zou krijgen als zijn broer en stond hem de vrijstelling toe. In cassatie oordeelde de Hoge Raad anders.

Voor toepassing van het gelijkheidsbeginsel in dit geval is nodig dat de inspecteur de bedoeling had om de broer van de belanghebbende te bevoordelen. De omstandigheid dat de inspecteur een onjuist gebleken standpunt weloverwogen en op verdedigbare gronden heeft ingenomen en dat dit standpunt tot een begunstiging van de betrokkene heeft geleid, houdt niet in dat de inspecteur ook de bedoeling tot bevoordeling heeft gehad.

Voor toepassing van het vertrouwensbeginsel geldt als regel dat een belastingplichtige geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan het optreden van de inspecteur ten aanzien van een ander. Uit de enkele omstandigheid dat welbewust een verdedigbaar standpunt is ingenomen bij de broer en medefirmant van de belanghebbende volgt niet zonder meer dat de belanghebbende redelijkerwijze mocht menen dat dit standpunt ook voor hem gold.

Hof Arnhem wees in het vervolg van de procedure het beroep op het vertrouwensbeginsel af.

<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Het feit dat iemand fiscaal in dezelfde situatie verkeert als een ander wil niet zeggen dat hij ook gelijk behandeld wordt als deze ander. Het is namelijk mogelijk dat bij de beoordeling van de positie van de andere persoon een fout is gemaakt, waardoor zijn aanslag lager is vastgesteld. Ook kan het zijn dat de inspecteur de betreffende aangifte niet uitdrukkelijk heeft beoordeeld en niet bewust op een ingenomen standpunt heeft gereageerd. Een belanghebbende kan een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel en op het vertrouwensbeginsel om gelijke behandeling te bewerkstelligen. Een dergelijk beroep wordt niet altijd gehonoreerd.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">&nbsp;</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Twee broers verkeerden fiscaal in dezelfde situatie. Zij waren ieder voor 50% vennoot van twee VOF’s. De broers vielen onder hetzelfde kantoor van de belastingdienst. In hun aangifte IB 2001 namen zij het standpunt in dat zij recht hadden op de vrijstelling voor kwijtscheldingswinst. Nadat de belastingdienst een nadere toelichting had gevraagd en gekregen werd bij de ene broer de vrijstelling toegepast. Een andere medewerker van de belastingdienst stelde vragen over de aangifte van de tweede broer. Deze medewerker was het niet eens met de zienswijze van zijn collega en stond de vrijstelling voor kwijtscheldingswinst niet toe. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Hof Den Bosch was van oordeel dat de tweede broer ervan mocht uitgaan dat hij dezelfde behandeling zou krijgen als zijn broer en stond hem de vrijstelling toe. In cassatie oordeelde de Hoge Raad anders.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Voor toepassing van het gelijkheidsbeginsel in dit geval is nodig dat de inspecteur de bedoeling had om de broer van de belanghebbende te bevoordelen. De omstandigheid dat de inspecteur een onjuist gebleken standpunt weloverwogen en op verdedigbare gronden heeft ingenomen en dat dit standpunt tot een begunstiging van de betrokkene heeft geleid, houdt niet in dat de inspecteur ook de bedoeling tot bevoordeling heeft gehad. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Voor toepassing van het vertrouwensbeginsel geldt als regel dat een belastingplichtige geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan het optreden van de inspecteur ten aanzien van een ander. Uit de enkele omstandigheid dat welbewust een verdedigbaar standpunt is ingenomen bij de broer en medefirmant van de belanghebbende volgt niet zonder meer dat de belanghebbende redelijkerwijze mocht menen dat dit standpunt ook voor hem gold.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Hof Arnhem wees in het vervolg van de procedure het beroep op het vertrouwensbeginsel af. </P>
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u