Geen toepassing overgangsregeling concernfinancieringmaatschappij

De wet op de vennootschapsbelasting kende een bijzondere regeling voor zogenaamde concernfinancieringsmaatschappijen. Wanneer de belastingdienst in een beschikking de toepassing van de concernfinancieringsregeling had toegestaan mocht de betreffende vennootschap ten laste van haar winst een zogenaamde risicoreserve vormen. De Europese Commissie was van mening dat deze regeling ontoelaatbare staatssteun inhield en deelde de Nederlandse regering op 11 juli 2001 mee dat zij een formele onderzoeksprocedure in zou stellen naar de verenigbaarheid van de concernfinancieringsregeling met de gemeenschappelijke markt. Toen de Commissie deze mededeling deed had de belastingdienst nog geen beschikking gegeven op een verzoek van een vennootschap om toepassing van de regeling. De staatssecretaris van Financiƫn deelde in een besluit van december 2002 mee dat geen nieuwe aanvragen meer in behandeling zouden worden genomen. Op 17 februari 2003 besliste de Commissie dat de concernfinancieringsregeling niet verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt. De regeling moest worden afgeschaft. Alleen ondernemingen op wie de regeling op 11 juli 2001 al van toepassing was mochten tot het einde van de looptijd van tien jaar, maar uiterlijk tot 31 december 2010, gebruik blijven maken van de regeling.De Nederlandse overheid wilde voor 14 vennootschappen die hun verzoek voor 11 juli 2001 resp. voor december 2002 hadden ingediend een overgangsregeling instellen. De Commissie stond dat niet toe. In een procedure naar aanleiding van de afwijzing van een dergelijk verzoek door de belastingdienst wees Hof Amsterdam het beroep op opgewekt vertrouwen af. In de parlementaire toelichting op de wetswijziging waarmee de regeling is ingetrokken is aangegeven dat de Europese Commissie slechts een overgangsregeling toestond voor gevallen die op 11 juli 2001 een beschikking hadden of die er op die datum op mochten vertrouwen dat zij een positieve beschikking zouden krijgen. De belanghebbende in deze procedure behoorde niet tot deze categorie. Het Hof was van oordeel dat de belanghebbende in ieder geval niet meer op toepassing van de regeling kon vertrouwen vanaf het moment waarop het standpunt van de Commissie aan haar was meegedeeld. Dat was medio augustus 2001. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond.
De wet op de vennootschapsbelasting kende een bijzondere regeling voor zogenaamde concernfinancieringsmaatschappijen. Wanneer de belastingdienst in een beschikking de toepassing van de concernfinancieringsregeling had toegestaan mocht de betreffende vennootschap ten laste van haar winst een zogenaamde risicoreserve vormen. De Europese Commissie was van mening dat deze regeling ontoelaatbare staatssteun inhield en deelde de Nederlandse regering op 11 juli 2001 mee dat zij een formele onderzoeksprocedure in zou stellen naar de verenigbaarheid van de concernfinancieringsregeling met de gemeenschappelijke markt. Toen de Commissie deze mededeling deed had de belastingdienst nog geen beschikking gegeven op een verzoek van een vennootschap om toepassing van de regeling. De staatssecretaris van Financiƫn deelde in een besluit van december 2002 mee dat geen nieuwe aanvragen meer in behandeling zouden worden genomen. Op 17 februari 2003 besliste de Commissie dat de concernfinancieringsregeling niet verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt. De regeling moest worden afgeschaft. Alleen ondernemingen op wie de regeling op 11 juli 2001 al van toepassing was mochten tot het einde van de looptijd van tien jaar, maar uiterlijk tot 31 december 2010, gebruik blijven maken van de regeling.De Nederlandse overheid wilde voor 14 vennootschappen die hun verzoek voor 11 juli 2001 resp. voor december 2002 hadden ingediend een overgangsregeling instellen. De Commissie stond dat niet toe. In een procedure naar aanleiding van de afwijzing van een dergelijk verzoek door de belastingdienst wees Hof Amsterdam het beroep op opgewekt vertrouwen af. In de parlementaire toelichting op de wetswijziging waarmee de regeling is ingetrokken is aangegeven dat de Europese Commissie slechts een overgangsregeling toestond voor gevallen die op 11 juli 2001 een beschikking hadden of die er op die datum op mochten vertrouwen dat zij een positieve beschikking zouden krijgen. De belanghebbende in deze procedure behoorde niet tot deze categorie. Het Hof was van oordeel dat de belanghebbende in ieder geval niet meer op toepassing van de regeling kon vertrouwen vanaf het moment waarop het standpunt van de Commissie aan haar was meegedeeld. Dat was medio augustus 2001. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u