Geen toepassing achteraf van stamrechtvrijstelling loonbelasting
Een inwoner van Zwitserland trad op 1 januari 2001 in dienst van een in Nederland gevestigde BV die onderdeel was van een Amerikaans concern. Op 3 februari 2001 werd hij door zijn werkgever op non-actief gesteld met de aankondiging dat ontslag zou volgen. De kantonrechter ontbond vervolgens de arbeidsovereenkomst per 15 oktober 2001 en veroordeelde de BV tot betaling van een ontslagvergoeding van ƒ 800.000. De BV hield een bedrag van ƒ 416.000 aan loonbelasting in op de vergoeding en betaalde het netto bedrag overeenkomstig diens verzoek aan de voormalige werknemer uit. Achteraf bedacht de werknemer dat hij in plaats van uitkering van de netto vergoeding voor het bruto bedrag een stamrecht wilde bedingen. Hij gaf zijn bank daarom opdracht om de bijschrijving te weigeren en zijn advocaat verzocht de BV om het bruto bedrag over te maken op de derdengeldrekening. De belastingdienst verleende echter geen teruggaaf van de ingehouden en afgedragen loonbelasting. In een procedure voor Hof Den Haag probeerde de voormalige werknemer teruggaaf van de loonbelasting af te dwingen. Dat lukte niet. Naar het oordeel van het Hof had de voormalige werknemer de ontslagvergoeding op 15 oktober 2001 genoten omdat deze op die dag vorderbaar en inbaar werd ten gevolge van de uitspraak van de kantonrechter. Dat betekende dat de BV terecht in oktober loonbelasting en premies volksverzekeringen had ingehouden en afgedragen. Omdat de ontslagvergoeding niet rechtstreeks was gestort bij een verzekeraar of op de geblokkeerde derdenrekening van een notaris of advocaat ter aankoop van een stamrecht of in afwachting van de oprichting van een besloten vennootschap kon de voormalige werknemer geen beroep doen op een besluit van de staatssecretaris van Financiën uit 2002 over toepassing van de stamrechtvrijstelling in de loonbelasting. Wel bepaalde het Hof dat de ontslagvergoeding slechts gedeeltelijk in Nederland belast was. Volgens het Hof zou de voormalige werknemer bij een normale voortzetting van zijn dienstbetrekking ongeveer 30 % van de arbeidstijd buiten Nederland en Zwitserland werkzaam zijn geweest. De belastingheffing over de vergoeding was volgens het Hof op grond van het Verdrag met Zwitserland voor 70 % aan Nederland toegewezen. Het Hof verleende een teruggaaf van 30 % van de ingehouden loonbelasting ad ƒ 416.000.
Een inwoner van Zwitserland trad op 1 januari 2001 in dienst van een in Nederland gevestigde BV die onderdeel was van een Amerikaans concern. Op 3 februari 2001 werd hij door zijn werkgever op non-actief gesteld met de aankondiging dat ontslag zou volgen. De kantonrechter ontbond vervolgens de arbeidsovereenkomst per 15 oktober 2001 en veroordeelde de BV tot betaling van een ontslagvergoeding van ƒ 800.000. De BV hield een bedrag van ƒ 416.000 aan loonbelasting in op de vergoeding en betaalde het netto bedrag overeenkomstig diens verzoek aan de voormalige werknemer uit. Achteraf bedacht de werknemer dat hij in plaats van uitkering van de netto vergoeding voor het bruto bedrag een stamrecht wilde bedingen. Hij gaf zijn bank daarom opdracht om de bijschrijving te weigeren en zijn advocaat verzocht de BV om het bruto bedrag over te maken op de derdengeldrekening. De belastingdienst verleende echter geen teruggaaf van de ingehouden en afgedragen loonbelasting. In een procedure voor Hof Den Haag probeerde de voormalige werknemer teruggaaf van de loonbelasting af te dwingen. Dat lukte niet. Naar het oordeel van het Hof had de voormalige werknemer de ontslagvergoeding op 15 oktober 2001 genoten omdat deze op die dag vorderbaar en inbaar werd ten gevolge van de uitspraak van de kantonrechter. Dat betekende dat de BV terecht in oktober loonbelasting en premies volksverzekeringen had ingehouden en afgedragen. Omdat de ontslagvergoeding niet rechtstreeks was gestort bij een verzekeraar of op de geblokkeerde derdenrekening van een notaris of advocaat ter aankoop van een stamrecht of in afwachting van de oprichting van een besloten vennootschap kon de voormalige werknemer geen beroep doen op een besluit van de staatssecretaris van Financiën uit 2002 over toepassing van de stamrechtvrijstelling in de loonbelasting. Wel bepaalde het Hof dat de ontslagvergoeding slechts gedeeltelijk in Nederland belast was. Volgens het Hof zou de voormalige werknemer bij een normale voortzetting van zijn dienstbetrekking ongeveer 30 % van de arbeidstijd buiten Nederland en Zwitserland werkzaam zijn geweest. De belastingheffing over de vergoeding was volgens het Hof op grond van het Verdrag met Zwitserland voor 70 % aan Nederland toegewezen. Het Hof verleende een teruggaaf van 30 % van de ingehouden loonbelasting ad ƒ 416.000.