Geen terugwerkende kracht voor afschaffing PC-privéregeling
Ter bevordering van het PC-bezit en gebruik onder werknemers is enige jaren geleden de mogelijkheid ingevoerd van een onbelaste vergoeding voor computers, die deels zakelijk werden gebruikt. Op 27 augustus 2004 deelde de Staatssecretaris van Financiën mee dat het kabinet had besloten om de PC-privéregeling met onmiddellijke ingang af te schaffen. Die regeling was echter opgenomen in de Wet op de Loonbelasting en dus alleen door een wetswijziging in te trekken. De benodigde wetswijziging vond plaats op 16 december 2004 in de Fiscale onderhoudswet 2004, die op 23 december 2004 in het Staatsblad werd gepubliceerd. De rechtbank Breda was van oordeel dat de terugwerkende kracht in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.Volgens de Grondwet treedt een wet pas in werking nadat deze is bekendgemaakt. Dat geschiedt door plaatsing in het Staatsblad. Gezien de datum van het Staatsblad waarin de wet is geplaatst kon deze pas op zijn vroegst in werking vanaf 23 december 2004. Bij betalingen voor die datum hoefde de werkgever geen loonbelasting in te houden. De procedure had betrekking op een medewerker van de belastingdienst die op 30 september 2004 een computer met toebehoren kocht ter waarde van € 1.376. Hij verzocht zijn werkgever binnen het bestaande cafetariasysteem om een belastingvrije vergoeding van € 687,27 per maand. Deze vergoeding bedroeg voor de maanden november en december 2004 in totaal € 1.374,54. De werkgever rekende deze vergoedingen tot het belastbare loon en hield daarover loonheffing in. Naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte, omdat op het moment van inhouding er nog geen wet was die de regeling had afgeschaft.
Ter bevordering van het PC-bezit en gebruik onder werknemers is enige jaren geleden de mogelijkheid ingevoerd van een onbelaste vergoeding voor computers, die deels zakelijk werden gebruikt. Op 27 augustus 2004 deelde de Staatssecretaris van Financiën mee dat het kabinet had besloten om de PC-privéregeling met onmiddellijke ingang af te schaffen. Die regeling was echter opgenomen in de Wet op de Loonbelasting en dus alleen door een wetswijziging in te trekken. De benodigde wetswijziging vond plaats op 16 december 2004 in de Fiscale onderhoudswet 2004, die op 23 december 2004 in het Staatsblad werd gepubliceerd. De rechtbank Breda was van oordeel dat de terugwerkende kracht in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.Volgens de Grondwet treedt een wet pas in werking nadat deze is bekendgemaakt. Dat geschiedt door plaatsing in het Staatsblad. Gezien de datum van het Staatsblad waarin de wet is geplaatst kon deze pas op zijn vroegst in werking vanaf 23 december 2004. Bij betalingen voor die datum hoefde de werkgever geen loonbelasting in te houden. De procedure had betrekking op een medewerker van de belastingdienst die op 30 september 2004 een computer met toebehoren kocht ter waarde van € 1.376. Hij verzocht zijn werkgever binnen het bestaande cafetariasysteem om een belastingvrije vergoeding van € 687,27 per maand. Deze vergoeding bedroeg voor de maanden november en december 2004 in totaal € 1.374,54. De werkgever rekende deze vergoedingen tot het belastbare loon en hield daarover loonheffing in. Naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte, omdat op het moment van inhouding er nog geen wet was die de regeling had afgeschaft.