Geen sanctie bij verbreking fiscale eenheid omdat niet met stille reserves was geschoven
Een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting bestond uit een moedermaatschappij met een aantal dochtermaatschappijen. De fiscale eenheid kocht alle aandelen in een BV voor een bedrag dat hoger was dan de waarde van het eigen vermogen. Het verschil tussen de koopprijs en het eigen vermogen beschouwde de fiscale eenheid als een betaling voor goodwill. Per 1 januari 1998 werd deze BV opgenomen in de fiscale eenheid. De BV droeg al haar activa en (nagenoeg) al haar passiva over aan een andere dochter binnen de fiscale eenheid. De overgedragen activa bevatten geen stille reserves. De fiscale eenheid verkocht in het jaar 2000 de aandelen in deze laatste dochter-BV aan een derde. Ultimo 1999 was er in deze BV geen goodwill meer aanwezig, die afkomstig was van de andere dochtermaatschappij. De Hoge Raad bevestigde de uitspraak van Hof Den Bosch dat bij de verkoop van de dochtermaatschappij de sanctie van de zestiende standaardvoorwaarde niet van toepassing was. Voor toepassing van deze sanctie was vereist dat onmiddellijk na de overdracht van activa en passiva binnen de fiscale eenheid in de verkrijgende vennootschap stille reserves aanwezig waren. Dat was niet het geval. Nu ook de van de andere dochtermaatschappij afkomstige goodwill ultimo 1999 geheel was verdwenen was niet voldaan aan de eis, dat er iets ten goede was gekomen aan de moedermaatschappij bij de verbreking van de fiscale eenheid.
Een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting bestond uit een moedermaatschappij met een aantal dochtermaatschappijen. De fiscale eenheid kocht alle aandelen in een BV voor een bedrag dat hoger was dan de waarde van het eigen vermogen. Het verschil tussen de koopprijs en het eigen vermogen beschouwde de fiscale eenheid als een betaling voor goodwill. Per 1 januari 1998 werd deze BV opgenomen in de fiscale eenheid. De BV droeg al haar activa en (nagenoeg) al haar passiva over aan een andere dochter binnen de fiscale eenheid. De overgedragen activa bevatten geen stille reserves. De fiscale eenheid verkocht in het jaar 2000 de aandelen in deze laatste dochter-BV aan een derde. Ultimo 1999 was er in deze BV geen goodwill meer aanwezig, die afkomstig was van de andere dochtermaatschappij. De Hoge Raad bevestigde de uitspraak van Hof Den Bosch dat bij de verkoop van de dochtermaatschappij de sanctie van de zestiende standaardvoorwaarde niet van toepassing was. Voor toepassing van deze sanctie was vereist dat onmiddellijk na de overdracht van activa en passiva binnen de fiscale eenheid in de verkrijgende vennootschap stille reserves aanwezig waren. Dat was niet het geval. Nu ook de van de andere dochtermaatschappij afkomstige goodwill ultimo 1999 geheel was verdwenen was niet voldaan aan de eis, dat er iets ten goede was gekomen aan de moedermaatschappij bij de verbreking van de fiscale eenheid.