Geen rekening houden met voorperiode voor pensioenberekening
De pensioenvoorziening die een BV treft voor zijn DGA is vaak onderwerp van discussie met de belastingdienst. Een van de discussiepunten is de diensttijd en dan met name het tijdstip waarop de diensttijd is aangevangen. Discussie over dat punt doet zich voor wanneer een bestaande onderneming wordt ingebracht in een BV. In sommige gevallen kan dat fiscaal met terugwerkende kracht. Zo werd een onderneming met ingang van 1 januari 1998 gedreven voor rekening en risico van een op 26 maart 1999 opgerichte BV. De DGA trad op die datum formeel in dienst van de BV. De BV kende hem pensioenrechten toe vanaf de aanvangsdatum van zijn dienstbetrekking. Bij de berekening van de hoogte van de pensioenverplichting werd echter ook rekening gehouden met de periode van 1 januari 1998 tot de oprichtingsdatum omdat de DGA in deze periode werkzaamheden voor de BV had verricht. De inspecteur stond echter niet toe dat het op de zogenaamde voorperiode betrekking hebbende deel van de pensioenverplichting in aftrek op de winst werd gebracht. Volgens Hof Den Haag was de tekst van de pensioenovereenkomst duidelijk. De BV had geen pensioenrechten toegekend over de periode voor de oprichting van de BV en dus was er geen reden om ten laste van de winst een verplichting op te nemen. De vraag of de voorperiode onderdeel kan uitmaken van de diensttijd kwam in deze procedure niet aan de orde door de omschrijving van de diensttijd in de pensioenovereenkomst. In arresten van de Hoge Raad uit 1980 en 1981 werd pensioenopbouw over de voorperiode wel toegestaan, maar in die gevallen werd het begrip dienstbetrekking niet gebruikt en was in de pensioenovereenkomsten bepaald dat deze geacht werden te zijn ingegaan op de dag waarop de voorperiode aanving.
De pensioenvoorziening die een BV treft voor zijn DGA is vaak onderwerp van discussie met de belastingdienst. Een van de discussiepunten is de diensttijd en dan met name het tijdstip waarop de diensttijd is aangevangen. Discussie over dat punt doet zich voor wanneer een bestaande onderneming wordt ingebracht in een BV. In sommige gevallen kan dat fiscaal met terugwerkende kracht. Zo werd een onderneming met ingang van 1 januari 1998 gedreven voor rekening en risico van een op 26 maart 1999 opgerichte BV. De DGA trad op die datum formeel in dienst van de BV. De BV kende hem pensioenrechten toe vanaf de aanvangsdatum van zijn dienstbetrekking. Bij de berekening van de hoogte van de pensioenverplichting werd echter ook rekening gehouden met de periode van 1 januari 1998 tot de oprichtingsdatum omdat de DGA in deze periode werkzaamheden voor de BV had verricht. De inspecteur stond echter niet toe dat het op de zogenaamde voorperiode betrekking hebbende deel van de pensioenverplichting in aftrek op de winst werd gebracht. Volgens Hof Den Haag was de tekst van de pensioenovereenkomst duidelijk. De BV had geen pensioenrechten toegekend over de periode voor de oprichting van de BV en dus was er geen reden om ten laste van de winst een verplichting op te nemen. De vraag of de voorperiode onderdeel kan uitmaken van de diensttijd kwam in deze procedure niet aan de orde door de omschrijving van de diensttijd in de pensioenovereenkomst. In arresten van de Hoge Raad uit 1980 en 1981 werd pensioenopbouw over de voorperiode wel toegestaan, maar in die gevallen werd het begrip dienstbetrekking niet gebruikt en was in de pensioenovereenkomsten bepaald dat deze geacht werden te zijn ingegaan op de dag waarop de voorperiode aanving.