Geen rekening houden met arbeidsovereenkomst tijdens opleiding

Om het aantrekkelijk te maken voor buitenlandse deskundigen om in Nederland te werken is er een bijzondere regeling in de loonbelasting, die bekend staat als de 30%-regeling. Deze regeling houdt in, dat van de totale arbeidsbeloning inclusief vergoedingen 30% als onbelaste vergoeding voor zogenaamde extraterritoriale kosten wordt aangemerkt. Op het restant zijn de normale loonbelastingregels van toepassing. De regeling geldt voor een periode van maximaal 10 jaar en onder de voorwaarde dat: - sprake is van een bijzondere deskundigheid die in Nederland niet of nauwelijks aanwezig is; - de betreffende deskundige in het buitenland is aangeworven, dat wil zeggen dat hij niet al in Nederland woonde op het moment van aanvaarden van de dienstbetrekking. Een Belgische arts, die tijdens haar opleiding tot specialist een jaar in Nederland woonde en werkte, keerde, na weer een tijd in België te hebben gewoond en gewerkt, terug naar Nederland, waar zij haar opleiding voortzette. Daarna verhuisde zij weer naar België, maar zij zette haar opleiding in Nederland voort. Na afronding van haar opleiding trad zij als medisch specialist in dienst bij de instelling waar zij het laatste jaar van haar opleiding ook al had gewerkt. De inspecteur wees het verzoek om toepassing van de 30%-regeling af, met als motivering dat de specialiste bij het aangaan van de dienstbetrekking al in Nederland werkte en dus niet in het buitenland was aangeworven. De rechtbank Breda volgde de visie van de inspecteur. In hoger beroep verdeelde Hof Den Bosch de vraag of de specialiste uit een ander land werd aangeworven onder in twee subvragen. De eerste subvraag was: wat is het tijdstip van aanwerving? De tweede subvraag was: wat verstaat men onder “uit een ander land”? De Hoge Raad heeft beide subvragen beantwoord in 2006. Het moment van "aanwerving" is het tijdstip waarop een arbeidsovereenkomst tot stand komt. Wie een arbeidsovereenkomst aangaat op een tijdstip waarop hij buiten Nederland woont en niet in Nederland werkt, kan worden aangemerkt als “uit een ander land aangeworven”. Toegestaan is echter dat in het kader van een opleiding of stage werkzaamheden in Nederland worden verricht om toch als in het buitenland aangeworven te kunnen gelden. De volgende vraag was welke arbeidsovereenkomst in dit geval relevant was voor het moment van aanwerving. De specialiste ging uit van de laatste arbeidsovereenkomst. Niet in geschil was dat zij toen niet in Nederland woonde en over de vereiste schaarse specifieke deskundigheid beschikte. De eerder in Nederland verrichte werkzaamheden waren onderdeel van haar opleiding. De inspecteur ging uit van de eerste arbeidsovereenkomst in Nederland. Op dat moment, zo was niet in geschil, beschikte de latere specialiste nog niet over de specifieke deskundigheid voor toepassing van de 30%-regeling. De destijds verrichte werkzaamheden waren geen onderdeel van een opleiding of stage volgens de inspecteur. De rechtbank volgde dit standpunt omdat de werkzaamheden niet wezenlijk verschilden van de latere werkzaamheden als psychiater en er sprake was van een volwaardige arbeidsovereenkomst met een bij de werkzaamheden passend salaris, recht op vakantiedagen en een pensioenaanspraak. Het Hof dacht daar anders over. Het moment, dat een buiten Nederland wonende persoon een stageovereenkomst aangaat in Nederland, is niet het moment van aanwerving, zelfs niet als die stageovereenkomst de vorm heeft van een arbeidsovereenkomst. Zou dat wel het geval zijn, aldus het Hof, dan zou geen enkele buitenlandse student, die in Nederland een stage volgt, in aanmerking komen voor de 30%-regeling, wanneer hij na zijn stage een arbeidsovereenkomst krijgt aangeboden. De werkzaamheden die voor het voltooien van de opleiding tot specialist in Nederland waren verricht vallen volgens het Hof onder de door de Hoge Raad bedoelde situaties van “opleiding of stage”. De staatssecretaris ging tegen de uitspraak van het Hof in cassatie. Naar zijn mening moest de toetsing of aan de voorwaarden van de 30%-regeling was voldaan geschieden op het moment van de eerdere arbeidsovereenkomst. Op dat tijdstip was niet voldaan aan de eis van schaarse specifieke deskundigheid. Volgens de Hoge Raad is deze opvatting onjuist. De eerdere arbeidsovereenkomst stond in het teken van opleiding en moest daarom, zoals het Hof deed, buiten beschouwing blijven. De beoordeling moest plaatsvinden op het moment waarop de (tweede) arbeidsovereenkomst als specialist werd gesloten.
Om het aantrekkelijk te maken voor buitenlandse deskundigen om in Nederland te werken is er een bijzondere regeling in de loonbelasting, die bekend staat als de 30%-regeling. Deze regeling houdt in, dat van de totale arbeidsbeloning inclusief vergoedingen 30% als onbelaste vergoeding voor zogenaamde extraterritoriale kosten wordt aangemerkt. Op het restant zijn de normale loonbelastingregels van toepassing. De regeling geldt voor een periode van maximaal 10 jaar en onder de voorwaarde dat:
  • sprake is van een bijzondere deskundigheid die in Nederland niet of nauwelijks aanwezig is;
  • de betreffende deskundige in het buitenland is aangeworven, dat wil zeggen dat hij niet al in Nederland woonde op het moment van aanvaarden van de dienstbetrekking.
Een Belgische arts, die tijdens haar opleiding tot specialist een jaar in Nederland woonde en werkte, keerde, na weer een tijd in België te hebben gewoond en gewerkt, terug naar Nederland, waar zij haar opleiding voortzette. Daarna verhuisde zij weer naar België, maar zij zette haar opleiding in Nederland voort. Na afronding van haar opleiding trad zij als medisch specialist in dienst bij de instelling waar zij het laatste jaar van haar opleiding ook al had gewerkt.
De inspecteur wees het verzoek om toepassing van de 30%-regeling af, met als motivering dat de specialiste bij het aangaan van de dienstbetrekking al in Nederland werkte en dus niet in het buitenland was aangeworven. De rechtbank Breda volgde de visie van de inspecteur.
In hoger beroep verdeelde Hof Den Bosch de vraag of de specialiste uit een ander land werd aangeworven onder in twee subvragen. De eerste subvraag was: wat is het tijdstip van aanwerving? De tweede subvraag was: wat verstaat men onder “uit een ander land”?
De Hoge Raad heeft beide subvragen beantwoord in 2006. Het moment van "aanwerving" is het tijdstip waarop een arbeidsovereenkomst tot stand komt. Wie een arbeidsovereenkomst aangaat op een tijdstip waarop hij buiten Nederland woont en niet in Nederland werkt, kan worden aangemerkt als “uit een ander land aangeworven”. Toegestaan is echter dat in het kader van een opleiding of stage werkzaamheden in Nederland worden verricht om toch als in het buitenland aangeworven te kunnen gelden.
De volgende vraag was welke arbeidsovereenkomst in dit geval relevant was voor het moment van aanwerving. De specialiste ging uit van de laatste arbeidsovereenkomst. Niet in geschil was dat zij toen niet in Nederland woonde en over de vereiste schaarse specifieke deskundigheid beschikte. De eerder in Nederland verrichte werkzaamheden waren onderdeel van haar opleiding. De inspecteur ging uit van de eerste arbeidsovereenkomst in Nederland. Op dat moment, zo was niet in geschil, beschikte de latere specialiste nog niet over de specifieke deskundigheid voor toepassing van de 30%-regeling. De destijds verrichte werkzaamheden waren geen onderdeel van een opleiding of stage volgens de inspecteur. De rechtbank volgde dit standpunt omdat de werkzaamheden niet wezenlijk verschilden van de latere werkzaamheden als psychiater en er sprake was van een volwaardige arbeidsovereenkomst met een bij de werkzaamheden passend salaris, recht op vakantiedagen en een pensioenaanspraak.
Het Hof dacht daar anders over. Het moment, dat een buiten Nederland wonende persoon een stageovereenkomst aangaat in Nederland, is niet het moment van aanwerving, zelfs niet als die stageovereenkomst de vorm heeft van een arbeidsovereenkomst. Zou dat wel het geval zijn, aldus het Hof, dan zou geen enkele buitenlandse student, die in Nederland een stage volgt, in aanmerking komen voor de 30%-regeling, wanneer hij na zijn stage een arbeidsovereenkomst krijgt aangeboden.
De werkzaamheden die voor het voltooien van de opleiding tot specialist in Nederland waren verricht vallen volgens het Hof onder de door de Hoge Raad bedoelde situaties van “opleiding of stage”.
De staatssecretaris ging tegen de uitspraak van het Hof in cassatie. Naar zijn mening moest de toetsing of aan de voorwaarden van de 30%-regeling was voldaan geschieden op het moment van de eerdere arbeidsovereenkomst. Op dat tijdstip was niet voldaan aan de eis van schaarse specifieke deskundigheid. Volgens de Hoge Raad is deze opvatting onjuist. De eerdere arbeidsovereenkomst stond in het teken van opleiding en moest daarom, zoals het Hof deed, buiten beschouwing blijven. De beoordeling moest plaatsvinden op het moment waarop de (tweede) arbeidsovereenkomst als specialist werd gesloten.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u