
Tot voor enige jaren moest bij de uitgifte van aandelenkapitaal kapitaalsbelasting worden betaald over het op de aandelen gestorte bedrag.
De belastingdienst legde een naheffingsaanslag kapitaalsbelasting op aan een naar Nederlands recht opgerichte holdingvennootschap. De vennootschap was statutair in Nederland gevestigd en feitelijk in Zwitserland. In het jaar 2000 gaf de vennootschap aandelen uit aan een NV naar Antilliaans recht. De NV was al houder van 50% van de aandelen van de vennootschap. Als storting op de aandelen droeg de NV haar gehele vermogen over met uitsluiting van de reeds gehouden aandelen in de vennootschap. De NV claimde ook inwoner van Zwitserland te zijn maar was volgens Hof Amsterdam feitelijk gevestigd op de Nederlandse Antillen. De vraag was of het tussen Nederland en Zwitserland in 1875 gesloten Traktaat van vriendschap, vestiging en handel de heffing van kapitaalsbelasting verhinderde. Volgens Hof Amsterdam en, in eerste aanleg, de rechtbank Haarlem biedt het Traktaat geen verdergaande rechtsbescherming dan het veel later gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing. De rechtbank wees het beroep op het Traktaat af. Omdat de aandeelhouder geen inwoner was van Zwitserland, was het belastingverdrag met Zwitserland niet van belang bij de beoordeling of er recht bestond op vrijstelling van kapitaalsbelasting.