
Nadat de FIOD een fiscaalstrafrechtelijk onderzoek had uitgevoerd bij twee vennootschappen en hun aandeelhoudster in verband met het verzwijgen van omzet, het doen van zwarte inkopen en loonbetalingen, stelde de inspecteur zich op het standpunt dat de betrokken partijen een gezamenlijke belastingschuld hadden van ongeveer € 860.000. De belastingschuld bestond uit inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen, vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonbelasting en premies volksverzekeringen.
De betrokkenen sloten met de inspecteur een vaststellingsovereenkomst waarin werd afgesproken dat zij door betaling van € 550.000 zouden zijn gekweten van hun belastingschulden. De herkomst van dit bedrag was niet duidelijk. De betaling werd als volgt toegerekend aan de drie betrokken partijen: BV A € 264.000, B € 176.000 en BV C € 110.000.
BV C had op 1 januari 2003 een vordering op BV A van € 219.461. BV C nam vervolgens een schuld van BV A aan B ad € 203.194 over. Vanwege de slechte financiële positie van BV A waardeerde BV C haar vordering op BV A met € 250.000 af ten laste van het resultaat. De inspecteur accepteerde de afwaardering maar voor een klein bedrag omdat de overname van de schuld volgens de inspecteur was ingegeven door aandeelhoudersmotieven.
Ook in het jaar 2004 wilde BV C een deel van haar (gestelde) vordering op BV A ten laste van de winst afwaarderen, dit keer met een bedrag van € 150.000. Dat was volgens de inspecteur niet mogelijk omdat er geen vordering meer bestond.
Volgens de rechtbank hadden de bij de vaststellingsovereenkomst betrokken partijen ieder hun eigen deel van de aan hen toegerekende belastingschulden voldaan. BV C bestreed dit oordeel met de stelling dat beide vennootschappen geen geld hadden, waardoor over en weer rekening-courantschulden aan B waren ontstaan. Hof Arnhem deelde de opvatting van de rechtbank dat er met betrekking tot de wijze van betalen van de uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeiende schulden geen onderlinge vorderingen en schulden waren ontstaan die voor verrekening in aanmerking kwamen. Het hoger beroep was ongegrond.