Geen overgangsregeling tariefverlaging
Per 1 januari 2002 is het tarief voor de vennootschapsbelasting verlaagd. Het tarief in de eerste schijf daalde met een vol procent; het tarief in de tweede schijf met een half procent. Anders dan gebruikelijk bij tariefaanpassing kwam er geen overgangsrecht voor vennootschappen met een boekjaar dat niet gelijkloopt met het kalenderjaar: de aanpassing gold voor de boekjaren die aanvingen op of na 1 januari 2002. Het ontbreken van overgangsrecht kon tot gevolg hebben dat een vennootschap nog maximaal elf maanden het hogere tarief moest betalen. Ook bij latere tariefdalingen trof de wetgever een aanpassingsregeling naar tijdsgelang. Zowel de rechtbank Haarlem als Hof Amsterdam meende dat er sprake was van ongeoorloofde discriminatie omdat er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging was voor het niet toepassen van de tariefverlaging naar tijdsgelang. De staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof cassatieberoep ingesteld. De Advocaat-Generaal (AG) concludeert (zij het met tegenzin) tot gegrondverklaring van het cassatieberoep. Gezien de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad in dit soort zaken heeft de wetgever zeker in het belastingrecht een ruime beoordelingsvrijheid bij de beantwoording van de vraag of gelijke gevallen ongelijk worden behandeld, of er een rechtvaardiging bestaat voor ongelijke behandeling en of er een redelijke verhouding bestaat tussen het (gerechtvaardigde) doel van de ongelijke behandeling en die ongelijke behandeling. Volgens de AG had de wetgever in 2002 de vrijheid een andere afweging te maken dan hij in andere jaren had gedaan, omdat de tariefverlaging van 2002 op zichzelf stond en vanwege de geringe omvang van de tariefverlaging.
Per 1 januari 2002 is het tarief voor de vennootschapsbelasting verlaagd. Het tarief in de eerste schijf daalde met een vol procent; het tarief in de tweede schijf met een half procent. Anders dan gebruikelijk bij tariefaanpassing kwam er geen overgangsrecht voor vennootschappen met een boekjaar dat niet gelijkloopt met het kalenderjaar: de aanpassing gold voor de boekjaren die aanvingen op of na 1 januari 2002. Het ontbreken van overgangsrecht kon tot gevolg hebben dat een vennootschap nog maximaal elf maanden het hogere tarief moest betalen. Ook bij latere tariefdalingen trof de wetgever een aanpassingsregeling naar tijdsgelang. Zowel de rechtbank Haarlem als Hof Amsterdam meende dat er sprake was van ongeoorloofde discriminatie omdat er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging was voor het niet toepassen van de tariefverlaging naar tijdsgelang. De staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof cassatieberoep ingesteld. De Advocaat-Generaal (AG) concludeert (zij het met tegenzin) tot gegrondverklaring van het cassatieberoep. Gezien de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad in dit soort zaken heeft de wetgever zeker in het belastingrecht een ruime beoordelingsvrijheid bij de beantwoording van de vraag of gelijke gevallen ongelijk worden behandeld, of er een rechtvaardiging bestaat voor ongelijke behandeling en of er een redelijke verhouding bestaat tussen het (gerechtvaardigde) doel van de ongelijke behandeling en die ongelijke behandeling. Volgens de AG had de wetgever in 2002 de vrijheid een andere afweging te maken dan hij in andere jaren had gedaan, omdat de tariefverlaging van 2002 op zichzelf stond en vanwege de geringe omvang van de tariefverlaging.