Geen opgewekt vertrouwen door afspraken met fiscus over afschrijvingen op voorgenomen investeringen
Een particulier participeerde in de jaren 1990 tot en met 1996 in een onroerendgoedmaatschap, die belegde in een winkelcentrum. Voor de oprichting van de maatschap was er contact geweest met de belastingdienst over de wijze van financiering, de splitsing van de koopsom over winkels, woningen, grond en parkeerplaatsen en over de afschrijvingen. Dat contact was niet gelegd namens de participanten. Een van de participanten voerde een procedure over de fiscale gevolgen van zijn participatie in het jaar 1990. Die procedure startte bij Hof Leeuwarden en kwam na de Hoge Raad bij Hof Amsterdam terecht. Een andere participant voerde een procedure voor Hof Den Bosch, eveneens over 1990. Hij beriep zich op het vertrouwensbeginsel. Hof Den Bosch nam de overweging van Hof Leeuwarden over en wees dat beroep af, omdat de participant de inspecteur niets had gevraagd over de fiscale aspecten van de oprichting van de maatschap en de inspecteur zich daarover niet jegens een van de maten had uitgelaten. Het contact voor de oprichting had weliswaar geleid tot een door een ambtenaar van de belastingdienst 'voor akkoord' getekend stuk, maar de vraagsteller vertegenwoordigde de participant(en) niet en de ambtenaar de inspecteur niet. Daarom kon aan dat stuk niet het vertrouwen ontleend worden, dat de inspecteur zijn aangifte zou volgen. Het geschil spitste zich uiteindelijk toe op de hoogte van de afschrijvingen. Die waren door Hof Leeuwarden in de eerdere procedure voor een vergelijkbare participatie berekend op een lager bedrag dan de inspecteur in aftrek had toegelaten bij deze participant. Hof Den Bosch maakte de berekening van Hof Leeuwarden tot de zijne. De participant slaagde niet in het bewijs, dat de afschrijvingen hoger waren dan door de inspecteur was toegestaan. Dat bracht het Hof tot het oordeel, dat de aanslag niet op een te hoog bedrag was vastgesteld.
Een particulier participeerde in de jaren 1990 tot en met 1996 in een onroerendgoedmaatschap, die belegde in een winkelcentrum. Voor de oprichting van de maatschap was er contact geweest met de belastingdienst over de wijze van financiering, de splitsing van de koopsom over winkels, woningen, grond en parkeerplaatsen en over de afschrijvingen. Dat contact was niet gelegd namens de participanten. Een van de participanten voerde een procedure over de fiscale gevolgen van zijn participatie in het jaar 1990. Die procedure startte bij Hof Leeuwarden en kwam na de Hoge Raad bij Hof Amsterdam terecht. Een andere participant voerde een procedure voor Hof Den Bosch, eveneens over 1990. Hij beriep zich op het vertrouwensbeginsel. Hof Den Bosch nam de overweging van Hof Leeuwarden over en wees dat beroep af, omdat de participant de inspecteur niets had gevraagd over de fiscale aspecten van de oprichting van de maatschap en de inspecteur zich daarover niet jegens een van de maten had uitgelaten. Het contact voor de oprichting had weliswaar geleid tot een door een ambtenaar van de belastingdienst 'voor akkoord' getekend stuk, maar de vraagsteller vertegenwoordigde de participant(en) niet en de ambtenaar de inspecteur niet. Daarom kon aan dat stuk niet het vertrouwen ontleend worden, dat de inspecteur zijn aangifte zou volgen. Het geschil spitste zich uiteindelijk toe op de hoogte van de afschrijvingen. Die waren door Hof Leeuwarden in de eerdere procedure voor een vergelijkbare participatie berekend op een lager bedrag dan de inspecteur in aftrek had toegelaten bij deze participant. Hof Den Bosch maakte de berekening van Hof Leeuwarden tot de zijne. De participant slaagde niet in het bewijs, dat de afschrijvingen hoger waren dan door de inspecteur was toegestaan. Dat bracht het Hof tot het oordeel, dat de aanslag niet op een te hoog bedrag was vastgesteld.