Geen ontslagvergoeding bij ontbinding lang dienstverband
In een procedure over de ontbinding van een arbeidsovereenkomst kende de kantonrechter aan de werknemer een forse ontslagvergoeding toe omdat er sprake was van een kennelijk onredelijke opzegging. Na een dienstverband van bijna 37 jaar werd een telefoniste/receptioniste van 51 jaar ontslagen. De kantonrechter hield bij de bepaling van de vergoeding rekening met de zwaarwegende medische beperkingen van de werkneemster. Vanwege deze beperkingen en haar leeftijd waren haar kansen op de arbeidsmarkt zeer gering.
De werkgever ging in hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter. De werkgever vond dat er geen reden was voor een ontslagvergoeding, omdat de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster niet werkgerelateerd was en er (dus) geen sprake was van verwijtbaar handelen door de werkgever bij het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid. Verder had de werkgever aan zijn re-integratieverplichtingen voldaan en daarnaast had hij langer dan volgens de CAO verplicht was de WAO-uitkering aangevuld tot 100% van het maandinkomen.
Anders dan de kantonrechter was het gerechtshof van oordeel dat de gevolgen van het ontslag voor de werkneemster niet te ernstig waren in vergelijking met het belang van de werkgever bij dat ontslag. Volgens het Hof had de werkgever aan zijn re-integratieverplichtingen voldaan, onder andere door aanpassing van de werkplek. Het Hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en vond dat de werkneemster geen recht had op een ontslagvergoeding.
In een procedure over de ontbinding van een arbeidsovereenkomst kende de kantonrechter aan de werknemer een forse ontslagvergoeding toe omdat er sprake was van een kennelijk onredelijke opzegging. Na een dienstverband van bijna 37 jaar werd een telefoniste/receptioniste van 51 jaar ontslagen. De kantonrechter hield bij de bepaling van de vergoeding rekening met de zwaarwegende medische beperkingen van de werkneemster. Vanwege deze beperkingen en haar leeftijd waren haar kansen op de arbeidsmarkt zeer gering.
De werkgever ging in hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter. De werkgever vond dat er geen reden was voor een ontslagvergoeding, omdat de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster niet werkgerelateerd was en er (dus) geen sprake was van verwijtbaar handelen door de werkgever bij het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid. Verder had de werkgever aan zijn re-integratieverplichtingen voldaan en daarnaast had hij langer dan volgens de CAO verplicht was de WAO-uitkering aangevuld tot 100% van het maandinkomen.
Anders dan de kantonrechter was het gerechtshof van oordeel dat de gevolgen van het ontslag voor de werkneemster niet te ernstig waren in vergelijking met het belang van de werkgever bij dat ontslag. Volgens het Hof had de werkgever aan zijn re-integratieverplichtingen voldaan, onder andere door aanpassing van de werkplek. Het Hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en vond dat de werkneemster geen recht had op een ontslagvergoeding.