
De Wet op de Vennootschapsbelasting kent een beperking van de aftrek van rente als een vennootschap bovenmatig met vreemd vermogen is gefinancierd. Deze regeling staat bekend onder de naam thincapregeling.
Een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met een negatief fiscaal vermogen had een totaal aan schulden van meer dan € 1 miljoen. Daaronder bevond zich een schuld aan een belangrijke aandeelhouder die in de loop van een jaar was gestegen van € 293.592 naar € 373.605. Deze schuld bestond hoofdzakelijk uit schuldig gebleven dividend.
Naast de thincapregeling kent de Wet op de Vennootschapsbelasting een beperking van de renteaftrek voor schulden die bestaan uit schuldig gebleven dividend. Die regeling kent een tegenbewijsregeling waardoor rente wel aftrekbaar is indien het tegenbewijs wordt geleverd.
In cassatie werd namens de fiscale eenheid aangevoerd dat de wetgever verplicht is door internationale verdragen om gelijke gevallen gelijk te behandelen en dat onder de thincapregeling schuldig gebleven dividenduitkeringen anders worden behandeld dan onder de hiervoor genoemde aftrekbeperking. Naar het oordeel van de Hoge Raad is geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De bedoelde verdragen verplichten tot een gelijke behandeling van (rechts)personen die in een gelijke situatie verkeren. Wanneer een bepaalde belastingplichtige onder meerdere wetsbepalingen valt welke bepalingen verschillende uitkomsten hebben, is geen sprake van een verboden ongelijke behandeling.