
Een beroepsdirigent claimde voor een gedeelte van zijn werk toepassing van de onderwijsvrijstelling in de omzetbelasting. Het betrof het deel van zijn werk dat betrekking had op personen jonger dan 21 jaar. De dirigent onderbouwde zijn standpunt door te wijzen op het wezenlijk verschil tussen het dirigeren van een beroepsorkest en het dirigeren van een amateurorkest. Bij amateurorkesten ligt de nadruk van het werk op het muziekonderwijs en niet op het leidinggeven aan het orkest. Hof Den Bosch accepteerde dit betoog niet. Het hof vond niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden als het geven van muziekonderwijs konden worden aangemerkt. Volgens het hof hebben orkesten veelal contacten met muziekscholen voor het onderwijs aan beginnende leden.
Wel accepteerde het hof dat de werkzaamheden van de dirigent een educatief element bevatten dat waarschijnlijk groter was dan bij een beroepsorkest. Het educatieve element was echter van bijkomende aard en niet meer dan een middel om de hoofddienst zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Wel vormde het educatief element aanleiding om de boete kwijt te schelden wegens het bestaan van een pleitbaar standpunt.