Geen ondernemerschap door ontbreken van gebondenheid maten
Een maatschap exploiteerde een onderneming in een samenwerkingsverband met een BV. De maatschap had een aantal bevoegdheden overgedragen aan een stichting. De maatschap had een bestuurder, die zelf geen lid was van de maatschap. Deze persoon was tevens bestuurder van de stichting. De maatschap werd naar buiten toe vertegenwoordigd door de stichting. De stichting was juridisch eigenaar van de activa van de maatschap, terwijl ook de passiva op naam van de stichting stonden. De stichting was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; de maatschap niet. Hof Amsterdam leidde daaruit af dat de stichting door overeenkomsten met derden met betrekking tot de onderneming werd verbonden en niet de maatschap of de afzonderlijke maten. Volgens het Hof was de gerechtigdheid tot de maatschap wel een onderneming in de zin van de Wet IB 2001, maar genoten de maten geen winst als ondernemer in de zin van de Wet IB 2001, omdat zij niet rechtstreeks werden verbonden voor verbintenissen van de onderneming. Dat had tot gevolg dat de maten geen recht hadden op toepassing van de zelfstandigenaftrek.Daarnaast hadden de maten geen recht op aftrek van enkele kostenposten omdat deze onder een aftrekbeperking vielen. Het betrof kosten van kleding en van persoonlijke verzorging. Een van de maten betoogde dat de kleding werd gebruikt voor haar werkzaamheden als relaxdame en dat de kleding nagenoeg uitsluitend geschikt was om bij te dragen aan het behalen van winst en in het normale dagelijkse leven niet werd gedragen of gebruikt. Het Hof was van oordeel dat niet aannemelijk was gemaakt dat de kleding zo bijzonder was dat die (nagenoeg) uitsluitend door prostituees of relaxdames kon worden gedragen. Daarom was er geen sprake van werkkleding. Naar het oordeel van het Hof was de uitzondering op de aftrekbeperking voor artiesten niet van toepassing, omdat relaxdames naar het spraakgebruik niet als artiesten worden gekwalificeerd. De kosten van persoonlijke verzorging was hetzelfde lot beschoren.
Een maatschap exploiteerde een onderneming in een samenwerkingsverband met een BV. De maatschap had een aantal bevoegdheden overgedragen aan een stichting. De maatschap had een bestuurder, die zelf geen lid was van de maatschap. Deze persoon was tevens bestuurder van de stichting. De maatschap werd naar buiten toe vertegenwoordigd door de stichting. De stichting was juridisch eigenaar van de activa van de maatschap, terwijl ook de passiva op naam van de stichting stonden. De stichting was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; de maatschap niet. Hof Amsterdam leidde daaruit af dat de stichting door overeenkomsten met derden met betrekking tot de onderneming werd verbonden en niet de maatschap of de afzonderlijke maten. Volgens het Hof was de gerechtigdheid tot de maatschap wel een onderneming in de zin van de Wet IB 2001, maar genoten de maten geen winst als ondernemer in de zin van de Wet IB 2001, omdat zij niet rechtstreeks werden verbonden voor verbintenissen van de onderneming. Dat had tot gevolg dat de maten geen recht hadden op toepassing van de zelfstandigenaftrek.Daarnaast hadden de maten geen recht op aftrek van enkele kostenposten omdat deze onder een aftrekbeperking vielen. Het betrof kosten van kleding en van persoonlijke verzorging. Een van de maten betoogde dat de kleding werd gebruikt voor haar werkzaamheden als relaxdame en dat de kleding nagenoeg uitsluitend geschikt was om bij te dragen aan het behalen van winst en in het normale dagelijkse leven niet werd gedragen of gebruikt. Het Hof was van oordeel dat niet aannemelijk was gemaakt dat de kleding zo bijzonder was dat die (nagenoeg) uitsluitend door prostituees of relaxdames kon worden gedragen. Daarom was er geen sprake van werkkleding. Naar het oordeel van het Hof was de uitzondering op de aftrekbeperking voor artiesten niet van toepassing, omdat relaxdames naar het spraakgebruik niet als artiesten worden gekwalificeerd. De kosten van persoonlijke verzorging was hetzelfde lot beschoren.