Geen omzetbelasting over meeliftvergoeding op grond van gelijkheidsbeginsel
Een gasbedrijf incasseerde voor een aantal gemeenten en waterschappen diverse heffingen. De gemeenten en waterschappen betaalden daarvoor aan het gasbedrijf een zogenoemde meeliftvergoeding. Het gasbedrijf was ondernemer voor de omzetbelasting. In geschil was of over de meeliftvergoeding omzetbelasting moest worden berekend. Het gasbedrijf had dit wel gedaan en deze belasting ook op aangifte betaald, maar was van mening, dat dit niet nodig was. De gemeenten en waterschappen traden bij de door het gasbedrijf geïncasseerde heffingen niet als ondernemer op.Hof Den Bosch was van oordeel dat de staatssecretaris van Financiën jarenlang de vaste gedragslijn volgde om op verzoek goed te keuren dat het op de incasso betrekking hebbende deel van de meeliftvergoedingen vrijgesteld was. In vergelijkbare situaties heeft de staatssecretaris een dergelijke goedkeuring nooit geweigerd. Het uitsluitend op verzoek een juiste toepassing van de wet achterwege laten leidde tot rechtsongelijkheid omdat het beleid niet bekend was gemaakt. Uit brieven van de staatssecretaris bleek dat hij van mening was dat op de meeliftvergoeding geen vrijstelling van toepassing was. De staatssecretaris verleende zijn goedkeuring om de vrijstelling op de meeliftvergoedingen toe te passen uit een oogmerk van begunstiging. Met toepassing van het gelijkheidsbeginsel had het gasbedrijf recht op vrijstelling van een deel van de meeliftvergoeding tot 1 januari 2000. De staatssecretaris had per die datum zijn begunstigende beleid gestaakt. Vervolgens was aan de orde of het gasbedrijf recht had op teruggaaf van de op de meeliftvergoeding betrekking hebbende omzetbelasting. Die omzetbelasting was namelijk op facturen vermeld. De wet op de omzetbelasting bevat een bepaling, dat op een factuur vermelde omzetbelasting moet worden afgedragen ook al is die belasting ten onrechte op de factuur vermeld. Het Hof was van oordeel dat in dit geval het op de factuur vermelden van omzetbelasting louter een gevolg was van door de staatssecretaris gevoerd niet gepubliceerd begunstigend beleid. Omdat de belastingplichtige daar niet van op de hoogte was, kwam aan de fiscus geen beroep toe op de wetsbepaling dat de in rekening gebracht omzetbelasting ook afgedragen moet worden. Een zogenaamd contra legem beleid leidt per definitie tot verlies van belastinginkomsten. Het gasbedrijf had volgens het Hof recht op teruggaaf van omzetbelasting ook al had er geen correctie van de aan de gemeenten en waterschappen uitgereikte facturen plaatsgevonden en zelfs al zou het gasbedrijf de terugontvangen belasting niet doorbetalen aan deze instellingen.
Een gasbedrijf incasseerde voor een aantal gemeenten en waterschappen diverse heffingen. De gemeenten en waterschappen betaalden daarvoor aan het gasbedrijf een zogenoemde meeliftvergoeding. Het gasbedrijf was ondernemer voor de omzetbelasting. In geschil was of over de meeliftvergoeding omzetbelasting moest worden berekend. Het gasbedrijf had dit wel gedaan en deze belasting ook op aangifte betaald, maar was van mening, dat dit niet nodig was. De gemeenten en waterschappen traden bij de door het gasbedrijf geïncasseerde heffingen niet als ondernemer op.Hof Den Bosch was van oordeel dat de staatssecretaris van Financiën jarenlang de vaste gedragslijn volgde om op verzoek goed te keuren dat het op de incasso betrekking hebbende deel van de meeliftvergoedingen vrijgesteld was. In vergelijkbare situaties heeft de staatssecretaris een dergelijke goedkeuring nooit geweigerd. Het uitsluitend op verzoek een juiste toepassing van de wet achterwege laten leidde tot rechtsongelijkheid omdat het beleid niet bekend was gemaakt. Uit brieven van de staatssecretaris bleek dat hij van mening was dat op de meeliftvergoeding geen vrijstelling van toepassing was. De staatssecretaris verleende zijn goedkeuring om de vrijstelling op de meeliftvergoedingen toe te passen uit een oogmerk van begunstiging. Met toepassing van het gelijkheidsbeginsel had het gasbedrijf recht op vrijstelling van een deel van de meeliftvergoeding tot 1 januari 2000. De staatssecretaris had per die datum zijn begunstigende beleid gestaakt. Vervolgens was aan de orde of het gasbedrijf recht had op teruggaaf van de op de meeliftvergoeding betrekking hebbende omzetbelasting. Die omzetbelasting was namelijk op facturen vermeld. De wet op de omzetbelasting bevat een bepaling, dat op een factuur vermelde omzetbelasting moet worden afgedragen ook al is die belasting ten onrechte op de factuur vermeld. Het Hof was van oordeel dat in dit geval het op de factuur vermelden van omzetbelasting louter een gevolg was van door de staatssecretaris gevoerd niet gepubliceerd begunstigend beleid. Omdat de belastingplichtige daar niet van op de hoogte was, kwam aan de fiscus geen beroep toe op de wetsbepaling dat de in rekening gebracht omzetbelasting ook afgedragen moet worden. Een zogenaamd contra legem beleid leidt per definitie tot verlies van belastinginkomsten. Het gasbedrijf had volgens het Hof recht op teruggaaf van omzetbelasting ook al had er geen correctie van de aan de gemeenten en waterschappen uitgereikte facturen plaatsgevonden en zelfs al zou het gasbedrijf de terugontvangen belasting niet doorbetalen aan deze instellingen.