Geen omkering bewijslast; verzwijging inkomsten niet aangetoond
De Hoge Raad heeft een uitspraak van Hof Amsterdam vernietigd wegens onvoldoende motivering. De procedure had betrekking op een executeur-testamentair, die een aanzienlijk bedrag aan de boedel zou hebben onttrokken en de daarmee genoten inkomsten niet zou hebben verwerkt in de aangiften inkomstenbelasting over een reeks van jaren. In verband daarmee had de inspecteur navorderingsaanslagen opgelegd met boetes wegens het opzettelijk niet doen van de juiste aangifte. De executeur-testamentair had tegoeden en toonderstukken van de overledenen opgenomen en enige tijd later ondergebracht op de rekening van een trust. Na de zitting had het Hof verklaringen ontvangen waaruit bleek dat de executeur-testamentair niets aan het vermogen van de trust had onttrokken, maar daaruit bleek niet wat er was gebeurd in de periode tussen de opname van de tegoeden en het onderbrengen van de toonderstukken op de rekening van de trust.
Uit de verklaringen zou kunnen worden afgeleid dat de trust kort na het onderbrengen van de toonderstukken op haar rekening een groter vermogen beheerde dan het totaal van de opgenomen tegoeden. Het Hof had nader moeten motiveren waarom dat gegeven niet van belang was bij de beantwoording van de vraag of de executeur-testamentair vóór het moment van het onderbrengen van de toonderstukken op de rekening van de trust een aanzienlijk bedrag aan de boedel had onttrokken. Het zou dan immers voor de hand liggen dat een lager bedrag dan het totaal van de opgenomen tegoeden zou zijn ondergebracht in de trust en dat het vermogen van de trust aan het einde van dat jaar niet groter zou zijn. Het Hof had namelijk niet vastgesteld dat de trust voor het onderbrengen van de toonderstukken al een substantieel vermogen beheerde.
Vanwege de onttrekking van een substantieel bedrag aan de boedel had het Hof de bewijslast omgekeerd. Omdat de onttrekking niet vaststond, verviel de omkering van de bewijslast. Het oordeel van het Hof dat de executeur-testamentair in de aangiften over de volgende jaren een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag aan inkomsten niet had verantwoord miste hierdoor ook onderbouwing.
De Hoge Raad heeft een uitspraak van Hof Amsterdam vernietigd wegens onvoldoende motivering. De procedure had betrekking op een executeur-testamentair, die een aanzienlijk bedrag aan de boedel zou hebben onttrokken en de daarmee genoten inkomsten niet zou hebben verwerkt in de aangiften inkomstenbelasting over een reeks van jaren. In verband daarmee had de inspecteur navorderingsaanslagen opgelegd met boetes wegens het opzettelijk niet doen van de juiste aangifte. De executeur-testamentair had tegoeden en toonderstukken van de overledenen opgenomen en enige tijd later ondergebracht op de rekening van een trust. Na de zitting had het Hof verklaringen ontvangen waaruit bleek dat de executeur-testamentair niets aan het vermogen van de trust had onttrokken, maar daaruit bleek niet wat er was gebeurd in de periode tussen de opname van de tegoeden en het onderbrengen van de toonderstukken op de rekening van de trust.
Uit de verklaringen zou kunnen worden afgeleid dat de trust kort na het onderbrengen van de toonderstukken op haar rekening een groter vermogen beheerde dan het totaal van de opgenomen tegoeden. Het Hof had nader moeten motiveren waarom dat gegeven niet van belang was bij de beantwoording van de vraag of de executeur-testamentair vóór het moment van het onderbrengen van de toonderstukken op de rekening van de trust een aanzienlijk bedrag aan de boedel had onttrokken. Het zou dan immers voor de hand liggen dat een lager bedrag dan het totaal van de opgenomen tegoeden zou zijn ondergebracht in de trust en dat het vermogen van de trust aan het einde van dat jaar niet groter zou zijn. Het Hof had namelijk niet vastgesteld dat de trust voor het onderbrengen van de toonderstukken al een substantieel vermogen beheerde.
Vanwege de onttrekking van een substantieel bedrag aan de boedel had het Hof de bewijslast omgekeerd. Omdat de onttrekking niet vaststond, verviel de omkering van de bewijslast. Het oordeel van het Hof dat de executeur-testamentair in de aangiften over de volgende jaren een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag aan inkomsten niet had verantwoord miste hierdoor ook onderbouwing.