
Na een boekenonderzoek bij een BV legde de inspecteur een navorderingsaanslag op aan de BV over het jaar 2002. Ten opzichte van de aangegeven winst had de inspecteur vier correcties aangebracht. Het betrof een correctie op afschrijving goodwill, een correctie op de oprenting van een stamrecht, een correctie van de geboekte inkopen en correctie van de representatiekosten. In de procedure over de navorderingsaanslag oordeelde de rechtbank dat de inspecteur voor de correctie van de inkopen niet beschikte over een nieuw feit en dus niet mocht navorderen. Ten aanzien van de afschrijving goodwill en de oprenting van het stamrecht was wel sprake van een nieuw feit. Deze correcties waren ook al opgenomen in de navorderingsaanslag over het jaar 2001. De BV had geen beroep ingesteld tegen de afwijzing van het bezwaar tegen deze navorderingsaanslag. Daarom stonden deze correcties volgens de rechtbank onherroepelijk vast.
In hoger beroep kwam aan de orde of de rechtbank buiten de rechtsstrijd was getreden door te oordelen dat de inspecteur niet beschikte over een nieuw feit. Omdat de BV in beroep bij de rechtbank haar bezwaren uit het bezwaarschrift had gehandhaafd, inclusief het beroep op het ontbreken van een nieuw feit, was de rechtbank niet buiten de rechtsstrijd getreden.
Hof Arnhem deelde de opvatting van de rechtbank dat de inspecteur niet beschikte over een nieuw feit. Tegen de BV en haar dga was een strafrechtelijk onderzoek ingesteld gericht op deelname aan een carrouselfraude. De inspecteur had inzage gehad in het rapport van de FIOD-ECD, maar de uitkomsten daarvan niet betrokken bij de aanslagregeling. Toch mocht de inspecteur navorderen omdat de BV te kwader trouw was bij het opstellen van haar aangifte. Gezien de uitkomsten van het strafrechtelijke onderzoek en de veroordeling van de dga was sprake van valse inkoopfacturen. De daarin vermelde goederentransacties hadden in werkelijkheid niet plaatsgevonden. Volgens het hof had de BV bewust deze transacties als inkopen in haar administratie verwerkt om haar winst te verlagen.
In afwijking van het oordeel van de rechtbank mocht de BV de correcties op de afschrijving goodwill en de oprenting van het stamrecht wel bestrijden in het (hoger) beroep tegen deze navorderingsaanslag, ook al stond de navorderingsaanslag over 2001 onherroepelijk vast.
De BV slaagde er echter niet in te bewijzen dat de waarde van de goodwill bij de inbreng van de eenmanszaak hoger was dan het door de inspecteur aanvaarde bedrag. Omdat er geen goodwill was ingebracht als tegenprestatie voor het stamrecht, verviel deze verplichting en was oprenting daarvan niet mogelijk. Deze correctie bleef in stand omdat de BV er niet in slaagde te bewijzen dat de goodwill hoger was dan door de inspecteur geaccepteerd.