Geen lijfrente van BV bij doorverkoop onderneming
Premies voor lijfrenteverzekeringen zijn onder voorwaarden aftrekbaar. De voorwaarden hebben betrekking op de vorm van de lijfrente, de verzekeraar, de hoogte van het inkomen en de aanwezigheid van andere oudedagsvoorzieningen. Voor ondernemers geldt een extra aftrekmogelijkheid bij de beƫindiging van hun bedrijf. Zij kunnen een lijfrente in dat geval niet alleen bij een verzekeringsmaatschappij aankopen, maar ook als tegenprestatie bedingen van de persoon die de onderneming heeft overgenomen. Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt bij de inbreng van een onderneming in een eigen BV. Wanneer de overdracht van de onderneming aan een eigen BV wordt gevolgd door een tevoren overeengekomen overdracht van de onderneming aan een derde is het op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad niet toegestaan om een lijfrente te bedingen van de eigen BV.
Dat ondervonden twee firmanten die hun onderneming op 19 april 2001 hadden verkocht met als geplande leveringsdatum 31 juli 2001. De overeenkomst kende als ontbindende voorwaarde dat de koper met de verhuurder van het bedrijfspand overeenstemming zou bereiken over voortzetting van de huur. Omdat dit aanvankelijk niet lukte werd de leveringsdatum verschoven naar 30 september 2001. Op 13 september 2001 richtten de beide firmanten een BV op. Zij brachten hun onderneming in tegen toekenning van een lijfrente. De BV bracht vervolgens de onderneming in in een 100%-dochtermaatschappij. Op 16 oktober 2001 leverde de dochtermaatschappij de onderneming aan de koper. De in april gesloten koopovereenkomst verhinderde, ondanks de voorwaarde die nog vervuld moest worden, het bedingen van een lijfrente. Het tijdstip tussen de inbreng in de BV en de levering aan de koper was dermate kort dat er eigenlijk een onmiddellijk op de inbreng volgende overdracht aan een derde was.
Premies voor lijfrenteverzekeringen zijn onder voorwaarden aftrekbaar. De voorwaarden hebben betrekking op de vorm van de lijfrente, de verzekeraar, de hoogte van het inkomen en de aanwezigheid van andere oudedagsvoorzieningen. Voor ondernemers geldt een extra aftrekmogelijkheid bij de beƫindiging van hun bedrijf. Zij kunnen een lijfrente in dat geval niet alleen bij een verzekeringsmaatschappij aankopen, maar ook als tegenprestatie bedingen van de persoon die de onderneming heeft overgenomen. Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt bij de inbreng van een onderneming in een eigen BV. Wanneer de overdracht van de onderneming aan een eigen BV wordt gevolgd door een tevoren overeengekomen overdracht van de onderneming aan een derde is het op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad niet toegestaan om een lijfrente te bedingen van de eigen BV.
Dat ondervonden twee firmanten die hun onderneming op 19 april 2001 hadden verkocht met als geplande leveringsdatum 31 juli 2001. De overeenkomst kende als ontbindende voorwaarde dat de koper met de verhuurder van het bedrijfspand overeenstemming zou bereiken over voortzetting van de huur. Omdat dit aanvankelijk niet lukte werd de leveringsdatum verschoven naar 30 september 2001. Op 13 september 2001 richtten de beide firmanten een BV op. Zij brachten hun onderneming in tegen toekenning van een lijfrente. De BV bracht vervolgens de onderneming in in een 100%-dochtermaatschappij. Op 16 oktober 2001 leverde de dochtermaatschappij de onderneming aan de koper. De in april gesloten koopovereenkomst verhinderde, ondanks de voorwaarde die nog vervuld moest worden, het bedingen van een lijfrente. Het tijdstip tussen de inbreng in de BV en de levering aan de koper was dermate kort dat er eigenlijk een onmiddellijk op de inbreng volgende overdracht aan een derde was.