Geen lijfrente bij BV voor inbreng onderneming omdat verkoop daarvan door BV al vaststond
Een veehouder verkocht zijn bedrijf in Nederland aan een door hem opgerichte BV. Hij bedong een lijfrente voor de stakingswinst. Vervolgens kocht de BV een veehouderij in het buitenland en werd het Nederlandse bedrijf verkocht. Naar het oordeel van hof Den Bosch had de veehouder in 1996 besloten om zijn bedrijf in Nederland te liquideren en met de opbrengst daarvan een melkveebedrijf in Denemarken aan te kopen. Zijn adviseur raadde hem aan om met de verkoopopbrengst een lijfrente aan te kopen bij de BV en die BV de aankoop van het nieuwe bedrijf te laten financieren. In die situatie is de lijfrente bedongen als tegenprestatie voor een storting in geld en niet als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming. Daarom was er geen recht op aftrek van de lijfrentepremie.
Een veehouder verkocht zijn bedrijf in Nederland aan een door hem opgerichte BV. Hij bedong een lijfrente voor de stakingswinst. Vervolgens kocht de BV een veehouderij in het buitenland en werd het Nederlandse bedrijf verkocht. Naar het oordeel van hof Den Bosch had de veehouder in 1996 besloten om zijn bedrijf in Nederland te liquideren en met de opbrengst daarvan een melkveebedrijf in Denemarken aan te kopen. Zijn adviseur raadde hem aan om met de verkoopopbrengst een lijfrente aan te kopen bij de BV en die BV de aankoop van het nieuwe bedrijf te laten financieren. In die situatie is de lijfrente bedongen als tegenprestatie voor een storting in geld en niet als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming. Daarom was er geen recht op aftrek van de lijfrentepremie.