
Voor de toepassing van de omzetbelasting geldt als definitie van een levering de overdracht of de overgang van de macht om als eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie EG moet de nationale rechter van geval tot geval aan de hand van de feitelijke omstandigheden bepalen of sprake is van de overdracht van de macht om als een eigenaar over een goed te beschikken. Deze beoordeling mag niet afhankelijk zijn van het burgerlijke recht van een lidstaat. Naar Nederlandse begrippen houdt dit in dat niet alleen de feitelijke beschikkingsmacht over een lichamelijke zaak wordt overgedragen maar ook het volledige economische belang bij die zaak.
In de akte van levering van een gebouw door een gemeente aan een stichting die het gebouw zou gaan exploiteren was een verkoopregulerend beding opgenomen. Het verkoopregulerend beding kwam erop neer dat de gemeente het recht had om het gebouw terug te kopen voor de bouwkosten. Daarnaast moest de stichting voor diverse beschikkingshandelingen de toestemming van de gemeente hebben. De gemeente bepaalde de samenstelling van het bestuur van de stichting en behield daardoor de controle over het gebouw. Volgens de rechtbank waren de beschikkingsmacht en het economisch belang van de stichting zo beperkt dat de stichting niet de macht had om als eigenaar over het gebouw te beschikken.
De opzet van deze constructie was de besparing van de omzetbelasting die drukte op de bouw van het pand. Door het pand te leveren aan de stichting meende de gemeente de op bouw drukkende omzetbelasting als voordruk in mindering te kunnen brengen. De rechtbank merkte de handeling aan als een als verhuur te beschouwen dienst, namelijk het tegen vergoeding ter beschikking stellen van het pand. Omdat het pand door de stichting werd gebruikt voor vrijgestelde prestaties vond bij de gemeente de integratieheffing plaats bij het in gebruik nemen van het gebouw.