
Het toekennen van optierechten op aandelen aan werknemers is een voordeel dat tot het loon behoort. Enkele jaren geleden bestond in de loonbelasting de mogelijkheid om niet bij de toekenning de verwachtingswaarde van de opties te belasten maar om in plaats daarvan het bij de uitoefening van de opties behaalde voordeel te belasten.
Een BV kende aan haar directeuren optierechten op preferente aandelen toe. Daarbij werd gekozen voor belastingheffing over het werkelijk behaalde voordeel. De BV verwerkte in haar aangifte vennootschapsbelasting 2002 wegens de toegekende opties een last van € 5.000.000. Op grond van de destijds geldende tekst van de Wet Vpb 1969 kon in verband met het toekennen van optierechten het bedrag dat bij de werknemer ter zake van die toekenning als loon in aanmerking werd genomen in aftrek worden gebracht voor de vennootschapsbelasting.
De inspecteur accepteerde in dit geval de aftrek niet omdat bij de werknemers niets belast werd. Hof Amsterdam was van oordeel dat de last ter zake van de toekenning van de opties terecht was gecorrigeerd. De BV had aannemelijk moeten maken dat de optierechten een reële waarde in het economische verkeer vertegenwoordigden. De BV was daar niet in geslaagd. Volgens de Hoge Raad houdt het oordeel van het hof in dat de BV met de toekenning van de optierechten geen voordeel aan haar werknemers heeft verstrekt. Omdat er geen sprake was van loon kon er bij het bepalen van de winst van de BV geen bedrag in aftrek worden gebracht.