Geen lagere waardering in box 3 voor blote eigendom vordering uit testament
Een moeder benoemde haar kind uit haar eerste huwelijk in haar testament tot enige erfgenaam. Aan haar tweede echtgenoot legateerde zij het vruchtgebruik van de hele nalatenschap. Op 16 november 2000 overleed zij. In november 2002 werd de nalatenschap als volgt verdeeld: - De echtgenoot verkreeg in volle eigendom alle goederen. - De zoon had de blote eigendom van een vordering op de echtgenoot die gelijk was aan het saldo van de nalatenschap. De echtgenoot had het vruchtgebruik van de vordering. In zijn aangifte inkomstenbelasting 2001 waardeerde de zoon zijn aandeel in de nalatenschap van zijn moeder op een bedrag van ƒ 106.420. Bij het vaststellen van de aanslag werd deze opgave gevolgd. Voor Hof Arnhem was in geschil of de waarde van de nalatenschap op een lager bedrag moest worden vastgesteld omdat de verhoudingen tussen de zoon en de echtgenoot ernstig waren verstoord. Naar het oordeel van het Hof was er geen reden voor een lagere waardering. Er was in 2001 geen twijfel aan de solvabiliteit van de echtgenoot. De verhoudingen waren toen nog niet verstoord. Pas vanaf het moment waarop dat het geval was kon volgens het Hof aan de verhaalbaarheid van de vordering worden getwijfeld.
Een moeder benoemde haar kind uit haar eerste huwelijk in haar testament tot enige erfgenaam. Aan haar tweede echtgenoot legateerde zij het vruchtgebruik van de hele nalatenschap. Op 16 november 2000 overleed zij. In november 2002 werd de nalatenschap als volgt verdeeld: - De echtgenoot verkreeg in volle eigendom alle goederen. - De zoon had de blote eigendom van een vordering op de echtgenoot die gelijk was aan het saldo van de nalatenschap. De echtgenoot had het vruchtgebruik van de vordering. In zijn aangifte inkomstenbelasting 2001 waardeerde de zoon zijn aandeel in de nalatenschap van zijn moeder op een bedrag van ƒ 106.420. Bij het vaststellen van de aanslag werd deze opgave gevolgd. Voor Hof Arnhem was in geschil of de waarde van de nalatenschap op een lager bedrag moest worden vastgesteld omdat de verhoudingen tussen de zoon en de echtgenoot ernstig waren verstoord. Naar het oordeel van het Hof was er geen reden voor een lagere waardering. Er was in 2001 geen twijfel aan de solvabiliteit van de echtgenoot. De verhoudingen waren toen nog niet verstoord. Pas vanaf het moment waarop dat het geval was kon volgens het Hof aan de verhaalbaarheid van de vordering worden getwijfeld.