
Ondernemers hebben recht op aftrek van de omzetbelasting die andere ondernemers in rekening brengen voor zover zij de geleverde diensten of zaken gebruiken voor belaste prestaties.
Een ondernemer kocht in 2002 een kantoorgebouw in aanbouw. De ondernemer bracht de op de koopprijs drukkende omzetbelasting geheel als voorbelasting in aftrek. Het kantoorgebouw was bestemd voor de verhuur. Op 1 juni 2005 werd het gebouw opgeleverd. In dat jaar werd bijna 60% van de totale oppervlakte belast verhuurd. Per 1 mei 2006 werd een klein gedeelte vrijgesteld verhuurd. De belastingdienst zag daarin aanleiding om een naheffingsaanslag omzetbelasting op te leggen, uitgaande van het standpunt dat er een interne levering had plaatsgevonden. Dat standpunt was gebaseerd op de unit-theorie, die inhield dat het gebouw kon worden onderscheiden in functioneel zelfstandige delen die gefaseerd in gebruik werden genomen.
De ondernemer ging uit van de opvatting dat gehele gebouw in 2005 voor bedrijfsdoeleinden in gebruik was genomen, overeenkomstig de bestemming van het pand. Hof Den Bosch was van oordeel dat het kantoorgebouw één goed in de zin van de Wet OB 1968 was. Vanwege de flexibele indeling was van vaste units geen sprake. Daaruit volgde dat in mei 2006 geen interne levering van een gedeelte van het gebouw had plaatsgevonden. Het hof heeft de naheffingsaanslag vernietigd.