
Een buitenlandse investeringsmaatschappij had in 2006 een aandelenbelang in een Nederlands beursgenoteerd bedrijf. Op de aandelen werd dividend uitbetaald, waarop dividendbelasting is ingehouden. De investeringsmaatschappij maakte bezwaar tegen de inhouding van dividendbelasting. De Wet op de Dividendbelasting kent een vrijstelling van inhouding van dividendbelasting als de deelnemingsvrijstelling van de Wet op de Vennootschapsbelasting van toepassing is op de aandelen en de deelneming behoort tot het vermogen van een Nederlandse onderneming. De inhoudingsvrijstelling geldt ook als de moedermaatschappij in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd. Volgens de tekst van de wet zoals die in 2006 gold was voor een deelneming een belang van ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal vereist. Een kleiner belang dan 5% werd met een deelneming gelijkgesteld als het aanhouden van dat aandelenbelang paste in de normale uitoefening van de onderneming van de aandeelhouder. De rechtbank stelde vast dat het in dit geval ging om aandelen die als belegging werden gehouden. Het aandelenbelang was opgebouwd toen de koers van het aandeel laag was en het belang was verkocht op een top. Andere belangen bij het aandelenbezit waren niet gebleken. Dat betekende dat de investeringsmaatschappij geen recht had op de inhoudingsvrijstelling.