
Tot 1 januari 2010 kende Nederland het recht van overgang. Dat was van toepassing op de erfrechtelijke verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken als de erflater niet in Nederland woonde. De vrijstelling voor de echtgenoot zoals die bestaat voor het recht van successie gold niet voor het recht van overgang.
Het Hof van Justitie EG heeft geoordeeld dat verschillen in behandeling van ingezetenen en niet-ingezetenen zijn toegestaan omdat hun situaties niet gelijk zijn. Voor de inkomstenbelasting geldt dat een lidstaat voor de toekenning van een voordeel aan niet-ingezetenen de voorwaarde mag stellen dat ten minste 90% van hun wereldinkomen in die lidstaat aan belasting is onderworpen. Voor de vermogensbelasting gold dat een lidstaat een niet-ingezetene de belastingvrije som die geldt voor ingezetenen mag weigeren.
Ook voor het successierecht geldt dat de situatie van de niet-ingezetene verschilt van die van de ingezetene. Het belangrijkste deel van het vermogen van de erflater zal gewoonlijk geconcentreerd zijn in het woonland. Dat land moet rekening houden met de volledige draagkracht van de ingezetenen door hen de wettelijke belastingvrije sommen toe te kennen. Het niet toekennen van de belastingvrije som aan een niet-ingezetene levert geen discriminatie op. Er gold een uitzondering voor de situatie waarin de in Nederland gelegen onroerende zaken het belangrijkste deel van de nalatenschap vormden.
Volgens de eindbeslissing van de Hoge Raad in de zaak Arens-Sikken kan het recht van overgang niet hoger zijn dan het bedrag aan successierecht dat verschuldigd zou zijn over de onroerende zaak als de erflater in Nederland had gewoond ten tijde van zijn overlijden.