Geen herziening aftrek voorbelasting op aanbouw schuren bij aanvang normaal BTW-regime

Een pluimveehouder liet in 1998 zijn bestaande stallen verlengen. De totale kosten van de verbouwing bedroegen ƒ 312.000 exclusief omzetbelasting. Tot 14 april 2000 paste de pluimveehouder de landbouwregeling toe; daarna was op zijn verzoek de normale heffing van omzetbelasting van kracht. De pluimveehouder diende in verband met de wijziging van regime bij de belastingdienst een verzoek om herziening van de aftrek van voorbelasting in.Dat verzoek had betrekking op de aftrek van belasting die in rekening was gebracht voor de verbouwing van de stallen. De teruggaaf werd aanvankelijk verleend maar later ongedaan gemaakt door het opleggen van een naheffingsaanslag. Om herziening mogelijk te maken moest de verbouwing van de stallen als een levering kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van Hof Den Bosch was van een levering geen sprake. De aangebouwde gedeelten van de stallen waren niet zelfstandig en waren dat tijdens de bouw ook niet geweest. De pluimveehouder beriep zich verder op het arrest Fischer en Brandenstein van het Hof van Justitie EG. Dat arrest had echter betrekking op de onttrekking van goederen aan het bedrijf door een belastingplichtige en gaf verder geen uitbreiding aan het leveringsbegrip. Tot slot beriep de pluimveehouder zich op een resolutie van de Staatssecretaris van Financiën uit 2002. In deze resolutie is vermeld dat de keuze van een ondernemer om een investeringsgoed geheel of gedeeltelijk tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen of tot zijn privé-vermogen te rekenen, ook voor de later in dat goed te integreren bestanddelen geldt. Het Hof wees dat beroep af omdat de aangebouwde delen nooit zelfstandig waren geweest. Herziening was niet mogelijk; de naheffingsaanslag was terecht opgelegd.
Een pluimveehouder liet in 1998 zijn bestaande stallen verlengen. De totale kosten van de verbouwing bedroegen ƒ 312.000 exclusief omzetbelasting. Tot 14 april 2000 paste de pluimveehouder de landbouwregeling toe; daarna was op zijn verzoek de normale heffing van omzetbelasting van kracht. De pluimveehouder diende in verband met de wijziging van regime bij de belastingdienst een verzoek om herziening van de aftrek van voorbelasting in.Dat verzoek had betrekking op de aftrek van belasting die in rekening was gebracht voor de verbouwing van de stallen. De teruggaaf werd aanvankelijk verleend maar later ongedaan gemaakt door het opleggen van een naheffingsaanslag. Om herziening mogelijk te maken moest de verbouwing van de stallen als een levering kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van Hof Den Bosch was van een levering geen sprake. De aangebouwde gedeelten van de stallen waren niet zelfstandig en waren dat tijdens de bouw ook niet geweest. De pluimveehouder beriep zich verder op het arrest Fischer en Brandenstein van het Hof van Justitie EG. Dat arrest had echter betrekking op de onttrekking van goederen aan het bedrijf door een belastingplichtige en gaf verder geen uitbreiding aan het leveringsbegrip. Tot slot beriep de pluimveehouder zich op een resolutie van de Staatssecretaris van Financiën uit 2002. In deze resolutie is vermeld dat de keuze van een ondernemer om een investeringsgoed geheel of gedeeltelijk tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen of tot zijn privé-vermogen te rekenen, ook voor de later in dat goed te integreren bestanddelen geldt. Het Hof wees dat beroep af omdat de aangebouwde delen nooit zelfstandig waren geweest. Herziening was niet mogelijk; de naheffingsaanslag was terecht opgelegd.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u