
Ondernemers kunnen bestelauto’s bpm-vrij rijden. De auto moet dan wel aan een aantal voorwaarden met betrekking tot de inrichting voldoen. Wanneer wordt geconstateerd dat iemand ten onrechte geen bpm heeft betaald, kan de belastingdienst een naheffingsaanslag bpm opleggen. In een aantal gevallen wordt op grond van het zogenaamde herstelbeleid de gelegenheid gegeven om te zorgen dat de auto wel aan de voorwaarden voldoet alvorens een naheffingsaanslag wordt opgelegd.
Een ondernemer importeerde een bestelauto uit Duitsland en bouwde de auto zelf om teneinde aan de voorwaarden voor vrijstelling van bpm te voldoen. Tussen de cabine en de laadruimte werd een schot geplaatst en de ruiten van de laadruimte werden vervangen door polyester platen. Bij een controle door de belastingdienst bleek dat de auto niet was voorzien van een vaste wand tussen de cabine en de laadruimte en dat aan de linkerkant een raam in de laadruimte zat. Daardoor voldeed de auto niet aan de wettelijke omschrijving van het begrip bestelauto. Korte tijd later bood de ondernemer de auto ter controle aan. Op dat moment was de auto voorzien van een vaste tussenwand achter de cabine en van ondoorzichtige panelen aan de linkerzijde van de laadruimte. Hof Arnhem wees het beroep op het herstelbeleid van de belastingdienst af. Dat beleid geldt slechts wanneer het karakter van de bestelauto in geringe mate is aangetast en herstel betrekkelijk eenvoudig kan worden gerealiseerd. Volgens het hof was het karakter van bestelauto in meer dan geringe mate aangepast door het verwijderen van het tussenschot en het plaatsen van een raam in de laadruimte. De eenvoudige herstelmogelijkheid doet dan niet meer ter zake.