
De Wet BPM verstaat onder een bestelauto ondermeer een motorrijtuig dat een laadruimte met een vlakke laadvloer heeft waarvan de lengte ten minste
Een ondernemer kocht een bestelauto met dubbele cabine. Deze bestelauto had een bank achter de bestuurdersstoel en de naastgelegen passagiersstoel. De ondernemer verwijderde het tussenschot tussen dubbele cabine en de laadruimte van de auto en de bank. Daardoor ontstond een grotere laadruimte. In de vloer achter de bestuurdersstoel en de passagiersstoel werd een clicksysteem aangebracht om lading te bevestigen. In dit clicksysteem konden ook stoelen worden geplaatst.
Volgens de belastingdienst was de bestelauto door het verwijderen van het tussenschot een personenauto geworden omdat de laadvloer niet (meer) vlak was. De belastingdienst vond dat door het clicksysteem het karakter van laadruimte verloren was gegaan. De ruimte achter de bestuurders- en bijrijdersplaats voldeed wel aan de vereiste afmetingen voor de laadruimte van een bestelauto.
Hof Den Bosch was van oordeel dat de laadvloer vlak was, ondanks de aanwezigheid van een clicksysteem. De mogelijkheid om stoelen te plaatsen deed aan het karakter van laadruimte niet af. Er was sprake van een bestelauto, zodat de naheffingsaanslag BPM ten onrechte was opgelegd. Volgens de Hoge Raad is niet meer voldaan aan de eis van een vlakke laadvloer als er stoelen achter de bestuurdersstoel zijn geplaatst. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van Hof Den Bosch en verwees de zaak naar Hof Arnhem om te onderzoeken of de ondernemer in aanmerking kwam voor toepassing van het zogenaamde herstelbeleid. Op grond van dat beleid kan in een aantal gevallen naheffing van BPM worden voorkomen. Het niet voldoen aan de voorwaarden voor de inrichting van een laadruimte is geen geval waarvoor het herstelbeleid geldt.