Geen herinvesteringsreserve na bedrijfsbeëindiging BV

Ondernemers die bedrijfsmiddelen verkopen voor een hogere prijs dan de boekwaarde kunnen de winst op die bedrijfsmiddelen in een herinvesteringsreserve opnemen en zo de belastingheffing daarover uitstellen. Voor de invoering van de wet IB 2001 heette een dergelijke reserve een vervangingsreserve. Een vennootschap die haar bedrijfsactiviteiten had gestaakt verkocht in 1996 en 1997 haar onroerende zaken. Voor de verkoop van de onroerende zaken waren de aandelen in de vennootschap overgedragen en was de doelomschrijving van de vennootschap door de nieuwe directie gewijzigd. Volgens de rechtbank waren de verkochte onroerende zaken ten tijde van de verkoop geen bedrijfsmiddelen meer maar behoorden zij tot de voor de verkoop bestemde zaken. Redengevend waren de wisseling van aandeelhouder en directie, de wijziging van het statutaire doel en de inhoud van de verkoopovereenkomst. Vanaf 1995 maakte de vennootschap deel uit van een bouwconcern. In de verkoopovereenkomst verplichtte zij zich tot levering van een bouwrijp en gesaneerd perceel. Voorafgaand aan de verkoop had de vennootschap op de ontwikkeling van haar onroerende zaken gerichte overeenkomsten met derden gesloten. De rechtbank was van oordeel dat de onroerende zaken binnen de bedrijfsvoering van de vennootschap de status van ‘project in ontwikkeling’ hadden gekregen. De vennootschap had ten onrechte voor de behaalde boekwinst een vervangingsreserve gevormd. De reserve stond echter wel op de beginbalans van het jaar 2000. Dat was het oudste jaar waarvan de aanslag nog niet was geregeld. De “reserve” kon niet worden afgeboekt op de aankoopprijs van de in 2000 aangekochte activa en kon evenmin als passiefpost worden opgenomen op de eindbalans van 2000. Gevolg was dat de “reserve” moest worden toegevoegd aan de winst van het jaar 2000.
Ondernemers die bedrijfsmiddelen verkopen voor een hogere prijs dan de boekwaarde kunnen de winst op die bedrijfsmiddelen in een herinvesteringsreserve opnemen en zo de belastingheffing daarover uitstellen. Voor de invoering van de wet IB 2001 heette een dergelijke reserve een vervangingsreserve.
Een vennootschap die haar bedrijfsactiviteiten had gestaakt verkocht in 1996 en 1997 haar onroerende zaken. Voor de verkoop van de onroerende zaken waren de aandelen in de vennootschap overgedragen en was de doelomschrijving van de vennootschap door de nieuwe directie gewijzigd. Volgens de rechtbank waren de verkochte onroerende zaken ten tijde van de verkoop geen bedrijfsmiddelen meer maar behoorden zij tot de voor de verkoop bestemde zaken. Redengevend waren de wisseling van aandeelhouder en directie, de wijziging van het statutaire doel en de inhoud van de verkoopovereenkomst. Vanaf 1995 maakte de vennootschap deel uit van een bouwconcern. In de verkoopovereenkomst verplichtte zij zich tot levering van een bouwrijp en gesaneerd perceel. Voorafgaand aan de verkoop had de vennootschap op de ontwikkeling van haar onroerende zaken gerichte overeenkomsten met derden gesloten. De rechtbank was van oordeel dat de onroerende zaken binnen de bedrijfsvoering van de vennootschap de status van ‘project in ontwikkeling’ hadden gekregen. De vennootschap had ten onrechte voor de behaalde boekwinst een vervangingsreserve gevormd. De reserve stond echter wel op de beginbalans van het jaar 2000. Dat was het oudste jaar waarvan de aanslag nog niet was geregeld. De “reserve” kon niet worden afgeboekt op de aankoopprijs van de in 2000 aangekochte activa en kon evenmin als passiefpost worden opgenomen op de eindbalans van 2000. Gevolg was dat de “reserve” moest worden toegevoegd aan de winst van het jaar 2000.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u