Geen heffing over liquidatie-uitkering na verplaatsing BV
Op grond van een aantal feitelijke omstandigheden constateerde Hof Den Bosch in een procedure dat een BV vanaf 30 oktober 1996 in België was gevestigd en vanaf die datum inwoner was van België in de zin van het destijds geldende belastingverdrag Nederland-België. Het Hof baseerde die constatering ondermeer op het gegeven dat de bestuurder van de BV inwoner was van België en dat in de Belgische notariële akte van statutenwijziging van 12 november 1996 werd verklaard dat de feitelijke leiding met ingang van 30 oktober 1996 was gevestigd in België. Op grond daarvan vernietigde het Hof de aan de BV opgelegde aanslag vennootschapsbelasting. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën afgewezen. De staatssecretaris was van mening dat alle besluiten die verband hielden met de liquidatie al voor de verplaatsing van de BV waren genomen, zodat er na de verplaatsing geen feitelijke leiding meer nodig was. Volgens de Hoge Raad heeft ook een vennootschap die voorbereidingen heeft getroffen om tot ontbinding en vereffening te komen nog leiding nodig om die plannen uit te voeren. De andersluidende opvatting van de staatssecretaris is door de Hoge Raad verworpen.
Op grond van een aantal feitelijke omstandigheden constateerde Hof Den Bosch in een procedure dat een BV vanaf 30 oktober 1996 in België was gevestigd en vanaf die datum inwoner was van België in de zin van het destijds geldende belastingverdrag Nederland-België. Het Hof baseerde die constatering ondermeer op het gegeven dat de bestuurder van de BV inwoner was van België en dat in de Belgische notariële akte van statutenwijziging van 12 november 1996 werd verklaard dat de feitelijke leiding met ingang van 30 oktober 1996 was gevestigd in België. Op grond daarvan vernietigde het Hof de aan de BV opgelegde aanslag vennootschapsbelasting. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën afgewezen. De staatssecretaris was van mening dat alle besluiten die verband hielden met de liquidatie al voor de verplaatsing van de BV waren genomen, zodat er na de verplaatsing geen feitelijke leiding meer nodig was. Volgens de Hoge Raad heeft ook een vennootschap die voorbereidingen heeft getroffen om tot ontbinding en vereffening te komen nog leiding nodig om die plannen uit te voeren. De andersluidende opvatting van de staatssecretaris is door de Hoge Raad verworpen.