Geen goodwill bij inbreng

Transacties tussen gelieerde partijen moeten op zakelijke gronden plaatsvinden, dat wil zeggen op vergelijkbare condities als transacties tussen onafhankelijke partijen.
Een BV droeg in 2003 haar onderneming tegen de boekwaarden over aan een dochtervennootschap. Er werd daarbij dus geen rekening gehouden met enige goodwill van de onderneming. Anderhalf jaar later werden de aandelen in de dochtervennootschap verkocht aan een BV van de kinderen van de aandeelhouder van de eerste BV. De koopprijs bedroeg € 100.000, gebaseerd op de brutowinst over het boekjaar 2003 en de minimaal te verwachten gemiddelde bruto jaarwinst over de komende 5 boekjaren van de onderneming. Bij een lagere brutowinst zou de koopsom worden aangepast.

Omdat de BV geen aangifte vennootschapsbelasting deed over 2003 legde de inspecteur ambtshalve een aanslag op, waarbij hij rekening hield met een bedrag aan goodwill. Als sanctie op het niet indienen van de aangifte moest de BV in de procedure die volgde overtuigend bewijzen dat er geen goodwill aanwezig was ten tijde van de inbreng.

Naar het oordeel van Hof Amsterdam slaagde de BV daarin. Belangrijk was dat de in december 2004 overeengekomen koopprijs van de aandelen eind 2008 tot nihil werd teruggebracht omdat de gemiddelde bruto winst in de jaren 2004 tot en met 2008 ver beneden het vereiste gemiddelde van € 100.000 was gebleven. Gelet op de resultaten in het verleden was een dergelijke bruto winst ook niet te verwachten. De koopprijs was tot stand gekomen vanuit de gedachte van de aandeelhouder dat hij zijn kinderen niet het gevoel wilde geven dat zij de zaak voor niets kregen. Het hof was van oordeel dat de voorwaardelijke koopprijsverlaging ook voor de eventuele goodwill ten tijde van de inbreng gold. In 2003 was er geen sprake van enige goodwill, aldus het hof.

<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt" >Transacties tussen gelieerde partijen moeten op zakelijke gronden plaatsvinden, dat wil zeggen op vergelijkbare condities als transacties tussen onafhankelijke partijen. <BR>Een BV droeg in 2003 haar onderneming tegen de boekwaarden over aan een dochtervennootschap. Er werd daarbij dus geen rekening gehouden met enige goodwill van de onderneming. Anderhalf jaar later werden de aandelen in de dochtervennootschap verkocht aan een BV van de kinderen van de aandeelhouder van de eerste BV. De koopprijs bedroeg € 100.000, gebaseerd op de brutowinst over het boekjaar 2003 en de minimaal te verwachten gemiddelde bruto jaarwinst over de komende 5 boekjaren van de onderneming. Bij een lagere brutowinst zou de koopsom worden aangepast. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt" >Omdat de BV geen aangifte vennootschapsbelasting deed over 2003 legde de inspecteur ambtshalve een aanslag op, waarbij hij rekening hield met een bedrag aan goodwill. Als sanctie op het niet indienen van de aangifte moest de BV in de procedure die volgde overtuigend bewijzen dat er geen goodwill aanwezig was ten tijde van de inbreng.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt" >Naar het oordeel van Hof Amsterdam slaagde de BV daarin. Belangrijk was dat de in december 2004 overeengekomen koopprijs van de aandelen eind 2008 tot nihil werd teruggebracht omdat de gemiddelde bruto winst in de jaren 2004 tot en met 2008 ver beneden het vereiste gemiddelde van € 100.000 was gebleven. Gelet op de resultaten in het verleden was een dergelijke bruto winst ook niet te verwachten. De koopprijs was tot stand gekomen vanuit de gedachte van de aandeelhouder dat hij zijn kinderen niet het gevoel wilde geven dat zij de zaak voor niets kregen. Het hof was van oordeel dat de voorwaardelijke koopprijsverlaging ook voor de eventuele goodwill ten tijde van de inbreng gold. In 2003 was er geen sprake van enige goodwill, aldus het hof.</P>
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u