Geen gezamenlijke huishouding meer
Schenkingen en erfenissen zijn belast met schenkings- resp. successierecht. De hoogte van deze belasting is zowel afhankelijk van de relatie tussen de schenker of de erflater en de verkrijger als van de omvang van de verkrijging. Hoe minder sterk de band en hoe groter de verkrijging, des te hoger wordt de belasting. Afhankelijk van de band met de erflater of schenker zijn de verkrijgers in verschillende tariefgroepen ingedeeld. In tariefgroep I, dat is de tariefgroep met de laagste tarieven, vallen de echtgenoot, kinderen en (achter)kleinkinderen en personen met wie de schenker of de erflater samenwoont. In tariefgroep II vallen broers en zusters en de (groot)ouders. Alle niet in een andere tariefgroep ingedeelde personen vallen in tariefgroep III.
De vraag in een procedure was in welke tariefgroep twee erfgenamen die jarenlang met de erflaatster en haar echtgenoot een gemeenschappelijke huishouding hadden gevoerd moesten worden ingedeeld. De erflaatster was al jaren ernstig ziek. Haar gezondheidstoestand verslechterde dermate dat ondanks diverse aanpassingen van de woning verzorging thuis door de erfgenamen niet langer mogelijk was. De erflaatster werd in 1993 opgenomen in een verzorgingstehuis, waarna de gezamenlijke woning werd verkocht. De beide erfgenamen verhuisden en sloegen de goederen van de erflaatster in hun nieuwe woning op. Hof Arnhem was van oordeel dat de erfgenamen, die geen familie waren van de erflaatster, ingedeeld moesten worden in tariefgroep III. Van voortdurend samenwonen tot aan het overlijden van de erflaatster was door de aard van de ziekte en haar hoge leeftijd op het moment van opname in het verzorgingstehuis en de verhuizing van de erfgenamen naar een andere woning geen sprake, aldus het Hof.
Volgens de Hoge Raad heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat uit de gedragingen van de betrokkenen de wil tot hervatting van het feitelijk samenwonen onvoldoende was gebleken. Uitgaande van dat feitelijke oordeel heeft het Hof terecht geoordeeld dat de gemeenschappelijke huishouding niet tot aan het overlijden van erflaatster heeft voortgeduurd.
Schenkingen en erfenissen zijn belast met schenkings- resp. successierecht. De hoogte van deze belasting is zowel afhankelijk van de relatie tussen de schenker of de erflater en de verkrijger als van de omvang van de verkrijging. Hoe minder sterk de band en hoe groter de verkrijging, des te hoger wordt de belasting. Afhankelijk van de band met de erflater of schenker zijn de verkrijgers in verschillende tariefgroepen ingedeeld. In tariefgroep I, dat is de tariefgroep met de laagste tarieven, vallen de echtgenoot, kinderen en (achter)kleinkinderen en personen met wie de schenker of de erflater samenwoont. In tariefgroep II vallen broers en zusters en de (groot)ouders. Alle niet in een andere tariefgroep ingedeelde personen vallen in tariefgroep III.
De vraag in een procedure was in welke tariefgroep twee erfgenamen die jarenlang met de erflaatster en haar echtgenoot een gemeenschappelijke huishouding hadden gevoerd moesten worden ingedeeld. De erflaatster was al jaren ernstig ziek. Haar gezondheidstoestand verslechterde dermate dat ondanks diverse aanpassingen van de woning verzorging thuis door de erfgenamen niet langer mogelijk was. De erflaatster werd in 1993 opgenomen in een verzorgingstehuis, waarna de gezamenlijke woning werd verkocht. De beide erfgenamen verhuisden en sloegen de goederen van de erflaatster in hun nieuwe woning op. Hof Arnhem was van oordeel dat de erfgenamen, die geen familie waren van de erflaatster, ingedeeld moesten worden in tariefgroep III. Van voortdurend samenwonen tot aan het overlijden van de erflaatster was door de aard van de ziekte en haar hoge leeftijd op het moment van opname in het verzorgingstehuis en de verhuizing van de erfgenamen naar een andere woning geen sprake, aldus het Hof.
Volgens de Hoge Raad heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat uit de gedragingen van de betrokkenen de wil tot hervatting van het feitelijk samenwonen onvoldoende was gebleken. Uitgaande van dat feitelijke oordeel heeft het Hof terecht geoordeeld dat de gemeenschappelijke huishouding niet tot aan het overlijden van erflaatster heeft voortgeduurd.