Geen geruisloze inbreng van verhuurde onderneming
Een ondernemer wilde zijn onderneming inbrengen in een op te richten BV. Daartoe werd op 19 februari 1998 een intentieverklaring opgesteld, waarin was opgenomen, dat de onderneming met ingang van 1 januari 1998 voor rekening en risico van de BV zou komen. De BV is opgericht op 29 maart 1999. De BV in oprichting heeft al op 18 maart 1998 de onderneming vanaf 1 maart 1998 voor een periode van vijf jaren verhuurd aan een derde, met een optie voor een tweede periode van vijf jaren. De huurder kreeg ook een voorkeursrecht van koop van de onderneming na afloop van de eerste vijfjaarsperiode voor een vastgestelde prijs. De ondernemer diende een verzoek in voor een geruisloze inbreng van zijn onderneming. Dat werd afgewezen door de belastingdienst. Volgens Hof Amsterdam had de ondernemer geen recht op geruisloze inbreng, omdat de verhuur van de onderneming op zichzelf geen onderneming vormde. Voor de ondernemer was sprake van voortgezet ondernemerschap, omdat hij de onderneming voorheen zelf had gedreven. Het Hof was van oordeel dat op het moment van het opstellen van de intentieverklaring de onderhandelingen over de verhuur van de onderneming al zo goed als rond waren. Die activiteiten kwalificeren niet als onderneming en daarom kon er geen geruisloze inbreng plaatsvinden. De Hoge Raad heeft het oordeel, dat de verhuur van een onderneming geen onderneming vormt, bevestigd. Een verandering van de ondernemingsactiviteiten na het overgangstijdstip maar voor de inbreng in de BV is wel mogelijk, maar dan moeten die activiteiten na die verandering nog wel een onderneming vormen, die voor rekening en risico van de BV wordt gedreven.
Een ondernemer wilde zijn onderneming inbrengen in een op te richten BV. Daartoe werd op 19 februari 1998 een intentieverklaring opgesteld, waarin was opgenomen, dat de onderneming met ingang van 1 januari 1998 voor rekening en risico van de BV zou komen. De BV is opgericht op 29 maart 1999. De BV in oprichting heeft al op 18 maart 1998 de onderneming vanaf 1 maart 1998 voor een periode van vijf jaren verhuurd aan een derde, met een optie voor een tweede periode van vijf jaren. De huurder kreeg ook een voorkeursrecht van koop van de onderneming na afloop van de eerste vijfjaarsperiode voor een vastgestelde prijs. De ondernemer diende een verzoek in voor een geruisloze inbreng van zijn onderneming. Dat werd afgewezen door de belastingdienst. Volgens Hof Amsterdam had de ondernemer geen recht op geruisloze inbreng, omdat de verhuur van de onderneming op zichzelf geen onderneming vormde. Voor de ondernemer was sprake van voortgezet ondernemerschap, omdat hij de onderneming voorheen zelf had gedreven. Het Hof was van oordeel dat op het moment van het opstellen van de intentieverklaring de onderhandelingen over de verhuur van de onderneming al zo goed als rond waren. Die activiteiten kwalificeren niet als onderneming en daarom kon er geen geruisloze inbreng plaatsvinden. De Hoge Raad heeft het oordeel, dat de verhuur van een onderneming geen onderneming vormt, bevestigd. Een verandering van de ondernemingsactiviteiten na het overgangstijdstip maar voor de inbreng in de BV is wel mogelijk, maar dan moeten die activiteiten na die verandering nog wel een onderneming vormen, die voor rekening en risico van de BV wordt gedreven.