
Voor de hoogte van het verschuldigde successierecht (sinds 1 januari 2010 erfbelasting) is niet alleen de omvang van het aandeel in de nalatenschap van belang, maar ook de relatie tussen overledene en erfgenaam. Zo gold een vrijstelling voor erfgenamen die na hun 22e jaar gedurende meer dan vijf jaar een gemeenschappelijke huishouding met de erflater hebben gevoerd. In het merendeel van de gevallen waarin deze vrijstelling van toepassing was, deelden de erflater en de erfgenaam een woning. Toch kan ook in andere gevallen sprake zijn van een gemeenschappelijke huishouding. Er moet dan in financieel-economisch opzicht sprake zijn van een gemeenschappelijke huishouding en de feitelijke situatie van een gezamenlijke woning moet zeer dicht worden benaderd. Het ontbreken van een gezamenlijke woning moet niet het gevolg zijn van de wens van erflater en erfgenaam om een zekere zelfstandigheid te bewaren.
Een erfgenaam die zich op deze uitzondering beroept, moet bewijzen dat deze situatie zich heeft voorgedaan.
Iemand was erfgenaam van zijn ongehuwde oom. De erfgenaam had samen met de oom tot diens overlijden een landbouwbedrijf gedreven. In het verleden had de erfgenaam meerdere jaren bij zijn oom ingewoond. Nadat toestemming was gekregen om een tweede bedrijfswoning te bouwen op het bedrijf, betrok de erfgenaam deze woning. De erfgenaam en zijn echtgenote verzorgden de erflater, die hulpbehoevend was. Er was een gezamenlijke bankrekening van erflater en erfgenaam, waarvan de kosten van de huishouding(en) werden betaald. Privéopnamen en -stortingen werden naar rato van de winstverdeling binnen de maatschap aan erflater en erfgenaam toegerekend.
Hof Arnhem was van oordeel dat het voeren van een gemeenschappelijke huishouding tot het tijdstip van overlijden niet aannemelijk was gemaakt. De kosten van de huishouding werden niet gezamenlijk gedragen, maar verdeeld. De verzorging van de erflater en het gezamenlijk eten waren geen factoren die maakten dat wel sprake was van een gemeenschappelijke huishouding.