Geen fiscale eenheid OB voor verhuurder onroerende zaak zonder beschikking
Een BV was als verhuurder van een aantal onroerende zaken ondernemer voor de omzetbelasting. De BV was ook de enige aandeelhouder van een andere BV, die één kantoorpand verhuurde. De beide BV’s voldeden aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, maar daarvoor was nooit een verzoek ingediend. Ook had de belastingdienst niet uit eigen beweging een beschikking voor een fiscale eenheid afgegeven. Met ingang van 1 januari 1989 is voor het bestaan van een fiscale eenheid zo’n beschikking nodig. Tot die datum ontstond een fiscale eenheid van rechtswege, maar was het niet mogelijk om een fiscale eenheid te vormen met een ondernemer, van wie het ondernemerschap uitsluitend was gebaseerd op de exploitatie van een onroerende zaak. Naar het oordeel van Hof Den Bosch was er in dit geval geen fiscale eenheid van rechtswege ontstaan, omdat de dochter-BV geen andere activiteiten had dan de exploitatie van het kantoorpand. Dat hield in, dat er geen fiscale eenheid was en dat beide BV’s afzonderlijk aangifte omzetbelasting moesten doen. De moedermaatschappij had een factuur voor verbouwingskosten gestuurd aan een van haar huurders. Daarop was omzetbelasting in rekening gebracht. Deze was niet afgedragen en daarom door de belastingdienst nageheven. Naar het oordeel van het Hof was de naheffing terecht, maar had de moedermaatschappij wel recht op aftrek van voorbelasting. De voorbelasting was even hoog als de af te dragen belasting, zodat per saldo niets was na te heffen.
Een BV was als verhuurder van een aantal onroerende zaken ondernemer voor de omzetbelasting. De BV was ook de enige aandeelhouder van een andere BV, die één kantoorpand verhuurde. De beide BV’s voldeden aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, maar daarvoor was nooit een verzoek ingediend. Ook had de belastingdienst niet uit eigen beweging een beschikking voor een fiscale eenheid afgegeven. Met ingang van 1 januari 1989 is voor het bestaan van een fiscale eenheid zo’n beschikking nodig. Tot die datum ontstond een fiscale eenheid van rechtswege, maar was het niet mogelijk om een fiscale eenheid te vormen met een ondernemer, van wie het ondernemerschap uitsluitend was gebaseerd op de exploitatie van een onroerende zaak. Naar het oordeel van Hof Den Bosch was er in dit geval geen fiscale eenheid van rechtswege ontstaan, omdat de dochter-BV geen andere activiteiten had dan de exploitatie van het kantoorpand. Dat hield in, dat er geen fiscale eenheid was en dat beide BV’s afzonderlijk aangifte omzetbelasting moesten doen. De moedermaatschappij had een factuur voor verbouwingskosten gestuurd aan een van haar huurders. Daarop was omzetbelasting in rekening gebracht. Deze was niet afgedragen en daarom door de belastingdienst nageheven. Naar het oordeel van het Hof was de naheffing terecht, maar had de moedermaatschappij wel recht op aftrek van voorbelasting. De voorbelasting was even hoog als de af te dragen belasting, zodat per saldo niets was na te heffen.