Geen doorlopende dienst: gehele vergoeding onderworpen aan Nederlandse BTW

Een BV bemiddelde bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen twee partijen, waardoor een van hen de imagorechten van een profvoetballer kon exploiteren. De BV had voor haar bemiddeling recht op een vergoeding van ƒ 2.500.000, te betalen in tien jaarlijkse termijnen van ƒ 250.000. De BV stuurde voor de eerste termijn op 30 juni 1997 een factuur met omzetbelasting. Over de latere termijnen werd geen omzetbelasting berekend en evenmin werd deze op aangifte voldaan. De belastingdienst legde over 1997 een naheffingsaanslag op die betrekking had op de resterende termijnen. De BV bestreed de naheffingsaanslag met als argument, dat zij geen omzetbelasting in Nederland was verschuldigd omdat zij daar niet langer was gevestigd. Naar het oordeel van Hof Amsterdam was over de door de BV verrichte diensten alleen dan Nederlandse omzetbelasting verschuldigd als zij op het moment van het verrichten daarvan in Nederland was gevestigd. Ondanks het feit dat de directeur het grootste deel van zijn tijd op reis was voor het werk was het Hof van oordeel dat de BV in Nederland was gevestigd. Er was daarom Nederlandse omzetbelasting verschuldigd. Uit het overgelegde contract leidde het Hof af dat de BV de diensten waarvoor zij de betalingen ontving al had verricht toen het contract werd gesloten. Van doorlopende diensten was geen sprake. Over de hele vergoeding moest in 1997 omzetbelasting worden berekend. De tegelijk met de naheffingsaanslag opgelegde boete werd door het Hof vernietigd, omdat het standpunt van de BV dat zij niet in Nederland was gevestigd pleitbaar was.
Een BV bemiddelde bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen twee partijen, waardoor een van hen de imagorechten van een profvoetballer kon exploiteren. De BV had voor haar bemiddeling recht op een vergoeding van ƒ 2.500.000, te betalen in tien jaarlijkse termijnen van ƒ 250.000. De BV stuurde voor de eerste termijn op 30 juni 1997 een factuur met omzetbelasting. Over de latere termijnen werd geen omzetbelasting berekend en evenmin werd deze op aangifte voldaan. De belastingdienst legde over 1997 een naheffingsaanslag op die betrekking had op de resterende termijnen. De BV bestreed de naheffingsaanslag met als argument, dat zij geen omzetbelasting in Nederland was verschuldigd omdat zij daar niet langer was gevestigd. Naar het oordeel van Hof Amsterdam was over de door de BV verrichte diensten alleen dan Nederlandse omzetbelasting verschuldigd als zij op het moment van het verrichten daarvan in Nederland was gevestigd. Ondanks het feit dat de directeur het grootste deel van zijn tijd op reis was voor het werk was het Hof van oordeel dat de BV in Nederland was gevestigd. Er was daarom Nederlandse omzetbelasting verschuldigd. Uit het overgelegde contract leidde het Hof af dat de BV de diensten waarvoor zij de betalingen ontving al had verricht toen het contract werd gesloten. Van doorlopende diensten was geen sprake. Over de hele vergoeding moest in 1997 omzetbelasting worden berekend. De tegelijk met de naheffingsaanslag opgelegde boete werd door het Hof vernietigd, omdat het standpunt van de BV dat zij niet in Nederland was gevestigd pleitbaar was.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u