
Volgens het Burgerlijk Wetboek is een arbeidsverhouding een privaatrechtelijke dienstbetrekking wanneer aan drie voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden zijn:
- het bestaan van een gezagsverhouding,
- de verplichting van de werknemer om persoonlijk arbeid te verrichten, en
- de verplichting van de werkgever om loon te betalen.
In een procedure over de arbeidsverhouding tussen een opleidingsinstituut en de docenten die voor het instituut werkten stond de verplichting om een vergoeding te betalen voor verrichte werkzaamheden niet ter discussie. Dat was wel het geval met de verplichting om de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en het bestaan van een gezagsverhouding tussen instituut en docent. De docenten konden zich vrijelijk en zonder toestemming vooraf door een derde laten vervangen. Dergelijke vervangingen vonden ook daadwerkelijk plaats aangezien de docenten voldoende personen kenden die over de vereiste kwaliteiten en deskundigheid beschikten om de vervanging op zich te nemen. Naar het oordeel van Hof Amsterdam ontbrak daarmee de verplichting tot het persoonlijk verrichten van de overeengekomen arbeid.
De inspecteur, die van mening was dat er sprake was van dienstbetrekkingen, slaagde er niet in zijn mening te onderbouwen.
Volgens het hof was er ook geen gezagsverhouding tussen het instituut en de docenten. Belangrijk vond het hof dat de docenten de lessen naar eigen inzicht konden inrichten en dat zij zelf, in overleg met de cursisten, de lestijden en locaties konden wijzigen. Het instituut stuurde geen evaluatieformulieren naar de cursisten. Volgens het hof namen de docenten een onafhankelijke en zelfstandige positie in ten opzichte van het instituut. Het hof vond dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de docenten bij hun werkzaamheden opdrachten of aanwijzingen van het instituut moesten accepteren.