Geen dienstbetrekking voor directeur van minderheidsaandeelhouder-BV
Volgens de Centrale Raad van Beroep ontbreekt in de volgende situatie een gezagsverhouding en is dus geen sprake van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. BV 1 heeft twee aandeelhouders. De ene aandeelhouder heeft een 56% belang; de andere een 44% belang. Op grond van een aandeelhoudersovereenkomst benoemen zij in onderling overleg de directie van de BV. BV 1 heeft zelf 40% van de aandelen in BV 2. De andere aandelen zijn in handen van BV 3. BV 1 en BV 3 zijn samen directeur van BV 2. Voor schorsing of ontslag van bestuurders van zowel BV 1 als BV 2 is volgens de statuten een twee/derde meerderheid vereist. Dat betekent, dat BV 1 niet tegen haar zin ontslagen kan worden als directeur van BV 2. Met ingang van de datum waarop de minderheidsaandeelhouder van BV 1 de directie van die BV vormde verrichtte deze zijn werkzaamheden als directeur van BV 2 niet meer in een ondergeschikte positie. Hij kon immers op grond van de statutaire bepalingen niet tegen zijn zin worden ontslagen als directeur van BV 1 en daarom ook niet als directeur van BV 2. In de periode waarin deze aandeelhouder nog geen directeur was van BV 1 gold wel verzekeringsplicht voor de werkzaamheden, die hij verrichtte voor BV 2.
Volgens de Centrale Raad van Beroep ontbreekt in de volgende situatie een gezagsverhouding en is dus geen sprake van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. BV 1 heeft twee aandeelhouders. De ene aandeelhouder heeft een 56% belang; de andere een 44% belang. Op grond van een aandeelhoudersovereenkomst benoemen zij in onderling overleg de directie van de BV. BV 1 heeft zelf 40% van de aandelen in BV 2. De andere aandelen zijn in handen van BV 3. BV 1 en BV 3 zijn samen directeur van BV 2. Voor schorsing of ontslag van bestuurders van zowel BV 1 als BV 2 is volgens de statuten een twee/derde meerderheid vereist. Dat betekent, dat BV 1 niet tegen haar zin ontslagen kan worden als directeur van BV 2. Met ingang van de datum waarop de minderheidsaandeelhouder van BV 1 de directie van die BV vormde verrichtte deze zijn werkzaamheden als directeur van BV 2 niet meer in een ondergeschikte positie. Hij kon immers op grond van de statutaire bepalingen niet tegen zijn zin worden ontslagen als directeur van BV 1 en daarom ook niet als directeur van BV 2. In de periode waarin deze aandeelhouder nog geen directeur was van BV 1 gold wel verzekeringsplicht voor de werkzaamheden, die hij verrichtte voor BV 2.