Geen dienstbetrekking bij buitenlandse concernmaatschappij

In december 2006 heeft de Hoge Raad in een aantal arresten geoordeeld dat het begrip werkgever zoals dat in belastingverdragen voorkomt meer materieel dan formeel moet worden uitgelegd. Volgens de staatssecretaris van Financiën leidt de uitleg van de Hoge Raad ertoe dat de beloning van een buitenlandse werknemer, die tijdelijk in Nederland werkt, sneller aan de Nederlandse belastingheffing is onderworpen. Ook zal Nederland sneller een voorkoming van dubbele belasting moeten verlenen aan werknemers die tijdelijk in het buitenland werken. De uitleg van de Hoge Raad sluit aan bij de invulling die de meeste OESO-landen aan het werkgeversbegrip geven. Dat betekent dat zich minder snel situaties van dubbele belasting voordoen bij tijdelijke grensoverschrijdende werkzaamheden van werknemers. In het vervolg van een van deze procedures moest Hof Den Haag beoordelen of een in Nederland wonende werknemer, die naast zijn werkzaamheden in Nederland voor een Nederlands onderdeel van een Frans concern ook werkzaamheden verrichtte voor een Belgische concernmaatschappij, niet alleen in dienst was bij de Nederlandse vennootschap maar ook bij de Belgische vennootschap. De Nederlandse vennootschap berekende een gedeelte van het brutoloon door aan de Belgische vennootschap. Deze bedragen werden maandelijks doorbetaald na aftrek van Belgische belasting maar zonder inhouding van Nederlandse loonbelasting. Voor het werkgeverschap van de Belgische vennootschap moest onderzocht worden of: 1. de werknemer instructies van de Belgische vennootschap moest opvolgen; 2. de resultaten van zijn werk voor rekening en risico van deze vennootschap kwamen, en 3. de loonkosten van de werknemer geïndividualiseerd werden doorbelast. De laatste twee voorwaarden vormden geen belemmering voor het aannemen van werknemerschap; de eerste voorwaarde wel. Uitgaande van de bestuursstructuur van het concern en de positie van deze werknemer daarin, was slechts de Franse holdingdirectie in de positie om aanwijzingen te geven aan de werknemer. Er bestond dus geen gezagsverhouding tussen de Belgische vennootschap en de werknemer. Op grond daarvan constateerde het Hof dat de belastingdienst terecht een naheffingsaanslag loonbelasting had opgelegd aan de Nederlandse vennootschap voor het Belgische deel van het salaris van de werknemer.
In december 2006 heeft de Hoge Raad in een aantal arresten geoordeeld dat het begrip werkgever zoals dat in belastingverdragen voorkomt meer materieel dan formeel moet worden uitgelegd. Volgens de staatssecretaris van Financiën leidt de uitleg van de Hoge Raad ertoe dat de beloning van een buitenlandse werknemer, die tijdelijk in Nederland werkt, sneller aan de Nederlandse belastingheffing is onderworpen. Ook zal Nederland sneller een voorkoming van dubbele belasting moeten verlenen aan werknemers die tijdelijk in het buitenland werken. De uitleg van de Hoge Raad sluit aan bij de invulling die de meeste OESO-landen aan het werkgeversbegrip geven. Dat betekent dat zich minder snel situaties van dubbele belasting voordoen bij tijdelijke grensoverschrijdende werkzaamheden van werknemers.
In het vervolg van een van deze procedures moest Hof Den Haag beoordelen of een in Nederland wonende werknemer, die naast zijn werkzaamheden in Nederland voor een Nederlands onderdeel van een Frans concern ook werkzaamheden verrichtte voor een Belgische concernmaatschappij, niet alleen in dienst was bij de Nederlandse vennootschap maar ook bij de Belgische vennootschap. De Nederlandse vennootschap berekende een gedeelte van het brutoloon door aan de Belgische vennootschap. Deze bedragen werden maandelijks doorbetaald na aftrek van Belgische belasting maar zonder inhouding van Nederlandse loonbelasting.
Voor het werkgeverschap van de Belgische vennootschap moest onderzocht worden of:
1. de werknemer instructies van de Belgische vennootschap moest opvolgen;
2. de resultaten van zijn werk voor rekening en risico van deze vennootschap kwamen, en
3. de loonkosten van de werknemer geïndividualiseerd werden doorbelast.
De laatste twee voorwaarden vormden geen belemmering voor het aannemen van werknemerschap; de eerste voorwaarde wel.
Uitgaande van de bestuursstructuur van het concern en de positie van deze werknemer daarin, was slechts de Franse holdingdirectie in de positie om aanwijzingen te geven aan de werknemer. Er bestond dus geen gezagsverhouding tussen de Belgische vennootschap en de werknemer. Op grond daarvan constateerde het Hof dat de belastingdienst terecht een naheffingsaanslag loonbelasting had opgelegd aan de Nederlandse vennootschap voor het Belgische deel van het salaris van de werknemer.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u