Geen cassatie tegen uitspraak over tarief omzetbelasting
Onlangs heeft Hof Den Bosch een uitspraak gedaan over de heffing van omzetbelasting van een ruitersportcentrum. Het betrof een hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Breda. Uitgangspunt is dat het geven van gelegenheid tot sportbeoefening een dienst is die valt onder het verlaagde omzetbelastingtarief van 6%. De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld zag was of de exploitant van een ruitersportcentrum zijn pensionklanten de gelegenheid gaf tot sportbeoefening en zo ja, of dit de hoofddienst was of dat de exploitant meerdere diensten verleende. Pensionklanten zijn klanten die hun eigen paarden op het centrum stallen. Het merendeel van deze klanten hield zich bezig met de beoefening van recreatieve wedstrijdsport. Voor de trainingen maakten zij gebruik van de binnen- en buitenbanen, al dan niet in combinatie met instructie. Voor de instructie betaalden zij een aparte vergoeding naast het pensiongeld.
De inspecteur had een naheffingsaanslag opgelegd uitgaande van een splitsing van het ontvangen pensiongeld in 50% vrijgestelde verhuur van de paardenboxen en 50% belast naar het algemene tarief. Over het ontvangen lesgeld berekende hij het verlaagde tarief van 6%.
De rechtbank merkte de rijhal en het bijbehorende buitenterrein samen aan als een sportaccommodatie. Van het geven van gelegenheid tot sportbeoefening kan ook sprake zijn zonder het geven van instructie of zonder een wedstrijdelement. Aan de pensionklanten werden drie afzonderlijke diensten geleverd, namelijk het geven van gelegenheid tot sportbeoefening (laag tarief), de voeding en verzorging van de paarden (normaal tarief) en de verhuur van de boxen (vrijgesteld). Er was, hoewel er één prijs in rekening werd gebracht, geen sprake van een hoofddienst met een aantal bijkomende diensten. Hof Den Bosch heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris van Financiën heeft bekend gemaakt dat hij geen beroep in cassatie instelt bij de Hoge Raad. Met de sector wordt overleg gevoerd om te bezien of het mogelijk is afspraken te maken over de berekening van het deel van de vergoeding dat toe te rekenen is aan het gelegenheid geven tot sportbeoefening.
Onlangs heeft Hof Den Bosch een uitspraak gedaan over de heffing van omzetbelasting van een ruitersportcentrum. Het betrof een hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Breda. Uitgangspunt is dat het geven van gelegenheid tot sportbeoefening een dienst is die valt onder het verlaagde omzetbelastingtarief van 6%. De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld zag was of de exploitant van een ruitersportcentrum zijn pensionklanten de gelegenheid gaf tot sportbeoefening en zo ja, of dit de hoofddienst was of dat de exploitant meerdere diensten verleende. Pensionklanten zijn klanten die hun eigen paarden op het centrum stallen. Het merendeel van deze klanten hield zich bezig met de beoefening van recreatieve wedstrijdsport. Voor de trainingen maakten zij gebruik van de binnen- en buitenbanen, al dan niet in combinatie met instructie. Voor de instructie betaalden zij een aparte vergoeding naast het pensiongeld.
De inspecteur had een naheffingsaanslag opgelegd uitgaande van een splitsing van het ontvangen pensiongeld in 50% vrijgestelde verhuur van de paardenboxen en 50% belast naar het algemene tarief. Over het ontvangen lesgeld berekende hij het verlaagde tarief van 6%.
De rechtbank merkte de rijhal en het bijbehorende buitenterrein samen aan als een sportaccommodatie. Van het geven van gelegenheid tot sportbeoefening kan ook sprake zijn zonder het geven van instructie of zonder een wedstrijdelement. Aan de pensionklanten werden drie afzonderlijke diensten geleverd, namelijk het geven van gelegenheid tot sportbeoefening (laag tarief), de voeding en verzorging van de paarden (normaal tarief) en de verhuur van de boxen (vrijgesteld). Er was, hoewel er één prijs in rekening werd gebracht, geen sprake van een hoofddienst met een aantal bijkomende diensten. Hof Den Bosch heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris van Financiën heeft bekend gemaakt dat hij geen beroep in cassatie instelt bij de Hoge Raad. Met de sector wordt overleg gevoerd om te bezien of het mogelijk is afspraken te maken over de berekening van het deel van de vergoeding dat toe te rekenen is aan het gelegenheid geven tot sportbeoefening.