Geen cassatie tegen Hofuitspraak over gestegen restwaarde
Los van de wettelijke beperking van de afschrijving op onroerende zaken tot 100 resp. 50% van de WOZ-waarde dient bij de afschrijving op bedrijfsmiddelen rekening gehouden te worden met de restwaarde, dat is de waarde die het bedrijfsmiddel naar verwachting nog heeft aan het einde van de gebruiksperiode. De restwaarde wordt aan het begin van de afschrijvingsperiode bepaald en hoeft niet te worden bijgesteld, behalve ingeval van een blijvende en aanmerkelijke stijging van de restwaarde. Dat is door de Hoge Raad in een aantal arresten bepaald.
Hof Arnhem heeft onlangs uitspraak gedaan in een procedure over de afschrijving door een beleggingsmaatschappij op vier verhuurde kantoorpanden. De beleggingsmaatschappij had de panden aangeschaft in de jaren 1990, 1995, 1995 en 1997. De inspecteur corrigeerde de afschrijving op de kantoorpanden met ingang van 1998 omdat de restwaarde aanmerkelijk en blijvend was gestegen. Het Hof deelde deze opvatting in drie van de vier gevallen niet. Volgens het Hof is pas bij een stijging van de waarde met meer dan 50% sprake van een aanmerkelijke stijging.
De staatssecretaris van FinanciĆ«n deelt deze opvatting niet en zoekt aansluiting bij het begrip 'in belangrijke mate' (30%) of bij het begrip 'aanmerkelijk' uit de oude aanmerkelijk belangregeling in de inkomstenbelasting (33⅓%). Het oordeel van Hof Arnhem dient door de belastingdienst niet als uitgangspunt genomen te worden.
De staatssecretaris gaat echter niet in cassatie tegen de uitspraak van het Hof. Gezien de korte bezitsperiode kan hij zich vinden in het oordeel dat niet is bewezen dat de stijging van de restwaarde blijvend is.
Los van de wettelijke beperking van de afschrijving op onroerende zaken tot 100 resp. 50% van de WOZ-waarde dient bij de afschrijving op bedrijfsmiddelen rekening gehouden te worden met de restwaarde, dat is de waarde die het bedrijfsmiddel naar verwachting nog heeft aan het einde van de gebruiksperiode. De restwaarde wordt aan het begin van de afschrijvingsperiode bepaald en hoeft niet te worden bijgesteld, behalve ingeval van een blijvende en aanmerkelijke stijging van de restwaarde. Dat is door de Hoge Raad in een aantal arresten bepaald.
Hof Arnhem heeft onlangs uitspraak gedaan in een procedure over de afschrijving door een beleggingsmaatschappij op vier verhuurde kantoorpanden. De beleggingsmaatschappij had de panden aangeschaft in de jaren 1990, 1995, 1995 en 1997. De inspecteur corrigeerde de afschrijving op de kantoorpanden met ingang van 1998 omdat de restwaarde aanmerkelijk en blijvend was gestegen. Het Hof deelde deze opvatting in drie van de vier gevallen niet. Volgens het Hof is pas bij een stijging van de waarde met meer dan 50% sprake van een aanmerkelijke stijging.
De staatssecretaris van FinanciĆ«n deelt deze opvatting niet en zoekt aansluiting bij het begrip 'in belangrijke mate' (30%) of bij het begrip 'aanmerkelijk' uit de oude aanmerkelijk belangregeling in de inkomstenbelasting (33⅓%). Het oordeel van Hof Arnhem dient door de belastingdienst niet als uitgangspunt genomen te worden.
De staatssecretaris gaat echter niet in cassatie tegen de uitspraak van het Hof. Gezien de korte bezitsperiode kan hij zich vinden in het oordeel dat niet is bewezen dat de stijging van de restwaarde blijvend is.