
Na de bouw van een duur jacht in 1996 gaf de douane een verklaring voor een pleziervaartuig af, waarin ondermeer de gegevens van het pleziervaartuig waren vermeld. Verder was in de verklaring opgenomen dat zij diende als bewijs dat btw was betaald voor het pleziervaartuig en dat zij nodig was om met het vaartuig bij terugkeer in Nederland met vrijstelling van belasting te worden toegelaten. Deze verklaring gold voor onbepaalde duur en hoorde bij het vaartuig. Bij wisseling van eigenaar diende de verklaring aan de nieuwe eigenaar te worden overgedragen.
Het jacht werd in 2001 verkocht naar de Verenigde Staten om in 2005 weer te worden verkocht aan een inwoner van Nederland. De vraag in een procedure voor Hof Amsterdam, na verwijzing door de Hoge Raad, was of door het verstrekken van de verklaring bij de nieuwe eigenaar het vertrouwen was gewekt dat bij de wederinvoer van het jacht geen omzetbelasting zou worden geheven. Voor de beantwoording van die vraag is niet van belang of de inspecteur heeft beoogd vertrouwen te wekken. Beslissend is of, gelet op de omstandigheden van het geval, sprake is geweest van een door de belanghebbende redelijkerwijs als toezegging op te vatten uitlating. Volgens het hof kon de belanghebbende uit de verklaring redelijkerwijs afleiden dat ter zake van de wederinvoer geen omzetbelasting verschuldigd was ingeval reeds omzetbelasting was betaald, ondanks het feit dat de verklaring niet aan hem was afgegeven. De inspecteur stelde dat volgens de wettelijke bepalingen de vrijstelling alleen aan de orde was bij wederinvoer binnen drie jaar. Volgens het hof was dat niet uit de verklaring af te leiden. De belanghebbende kon aan de verklaring het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat bij de wederinvoer, ongeacht het moment daarvan, geen omzetbelasting betaald hoefde te worden omdat al eerder omzetbelasting was betaald.