
Bij te late betaling van openstaande belastingschulden wordt invorderingsrente berekend. De ontvanger heeft de bevoegdheid om betalingen die een belastingschuldige doet voor een deel als belasting en voor het overige als invorderingsrente aan te merken. De ontvanger maakt van deze bevoegdheid gebruik in een beschikking waarbij het bedrag van de betaalde invorderingsrente wordt vastgesteld. Tegen een dergelijke beschikking kan alleen bezwaar worden gemaakt om de ontvanger te vragen het bedrag van de invorderingsrente te verlagen. Een bezwaar tegen een dergelijke beschikking met als strekking dat de ontvanger een groter deel van het betaalde bedrag als invorderingsrente zou moeten aanmerken, is niet-ontvankelijk. Dat geldt ook voor een bezwaar dat is gericht tegen de wijze van toerekening van een betaling aan rente en belasting. Tegen die beslissing staat namelijk geen bezwaar (en beroep bij de belastingrechter) open.