
Een BV wilde in haar jaarrekening over 2002 een pensioenvoorziening voor de echtgenote van de dga opnemen. De echtgenote was werkneemster van de BV. Al eerder was aan de vrouw een pensioentoezegging gedaan, maar de opbouw van dat pensioen was in 1995 gestaakt omdat de echtgenote had afgezien van verdere pensioenrechten. De vraag was of er na 1995 maar vóór de balansdatum van 2002 een nieuwe pensioentoezegging aan de vrouw was gedaan of dat er een stellig voornemen was om een pensioentoezegging te doen.
De belastinginspecteur bestreed dat en weigerde de toevoeging aan de pensioenvoorziening. Omdat de BV zich beriep op een belastingverlagende omstandigheid die door de inspecteur werd bestreden, moest de BV aannemelijk maken dat voor de balansdatum een nieuwe pensioentoezegging aan de vrouw was gedaan.
Naar het oordeel van Hof Amsterdam slaagde de BV daar niet in. Uit de notulen van de vergadering van aandeelhouders van december 2002 kon alleen worden afgeleid dat het salaris van de dga en van zijn echtgenote was verhoogd, maar bleek niets van een pensioentoezegging aan de echtgenote of van een stellig voornemen daartoe. Er waren geen schriftelijke vastleggingen of getuigenverklaringen waaruit het doen van een toezegging of een stellig voornemen kon worden afgeleid. Er kon daarom geen pensioenvoorziening worden gevormd. Vanwege het ontbreken van een stellig voornemen kon ook geen kostenegalisatiereserve worden gevormd.