Geen besparing energiekosten na opname echtgenote in AWBZ-inrichting
Bij opname van een persoon in een verpleeghuis is de eigen bijdrage, die op grond van de AWBZ moet worden betaald, als ziektekosten aftrekbaar nadat de besparing op de kosten van de huishouding daarop in mindering is gebracht. In een procedure voor Hof Amsterdam was de besparing in het geding. De echtgenoot van de opgenomen persoon stelde geen besparing te hebben, omdat hij door de opname van zijn vrouw duurder was gaan eten. Het Hof was van oordeel, dat het kopen van kant en klare maaltijden een persoonlijke keuze was. De inspecteur had bij ontbreken van andere gegevens de besparing gesteld op ƒ 300 per maand, bestaande uit ƒ 249 voor voeding en ƒ 51 energiekosten. Die laatste besparing was volgens het Hof niet aannemelijk, omdat het huishouden gewoon doorging en verwarming en verlichting nauwelijks afhankelijk zijn van het aantal personen. De besparing bedroeg derhalve ƒ 249 per maand. De echtgenoot claimde verder nog aftrek voor extra kosten van beddengoed. Die claim werd afgewezen, omdat zijn echtgenote door de opname niet meer tot het huishouden behoort. De echtgenoot beriep zich op een besluit van Financiën, waarin de staatssecretaris zou hebben goedgekeurd, dat na opname geen sprake is van duurzaam gescheiden leven en de kosten dus in aftrek konden komen. Het Hof kon die goedkeuring niet in het besluit lezen.
Bij opname van een persoon in een verpleeghuis is de eigen bijdrage, die op grond van de AWBZ moet worden betaald, als ziektekosten aftrekbaar nadat de besparing op de kosten van de huishouding daarop in mindering is gebracht. In een procedure voor Hof Amsterdam was de besparing in het geding. De echtgenoot van de opgenomen persoon stelde geen besparing te hebben, omdat hij door de opname van zijn vrouw duurder was gaan eten. Het Hof was van oordeel, dat het kopen van kant en klare maaltijden een persoonlijke keuze was. De inspecteur had bij ontbreken van andere gegevens de besparing gesteld op ƒ 300 per maand, bestaande uit ƒ 249 voor voeding en ƒ 51 energiekosten. Die laatste besparing was volgens het Hof niet aannemelijk, omdat het huishouden gewoon doorging en verwarming en verlichting nauwelijks afhankelijk zijn van het aantal personen. De besparing bedroeg derhalve ƒ 249 per maand. De echtgenoot claimde verder nog aftrek voor extra kosten van beddengoed. Die claim werd afgewezen, omdat zijn echtgenote door de opname niet meer tot het huishouden behoort. De echtgenoot beriep zich op een besluit van Financiën, waarin de staatssecretaris zou hebben goedgekeurd, dat na opname geen sprake is van duurzaam gescheiden leven en de kosten dus in aftrek konden komen. Het Hof kon die goedkeuring niet in het besluit lezen.