Geen beperking overdrachtsbelasting bij inbreng economische eigendom

Een maatschap, bestaande uit moeder en zoon, dreef een melkveebedrijf. Tijdens het bestaan van de maatschap bracht moeder per 1 januari 2004 de economische eigendom van het woonhuis met tuin en ondergrond in de maatschap in. Tot die tijd had de maatschap slechts een gebruiksrecht. In verband met de inbreng van de economische eigendom werd de maatschapsakte aangepast. Daarin werd bepaald dat de toekomstige stille reserves in het woonhuis en de ondergrond en tuin voor 99% aan moeder en voor 1% aan de zoon toekwamen. De zoon deed aangifte voor de overdrachtsbelasting wegens de verkrijging van 1% van de economische eigendom van het pand met een waarde van € 155.000. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op, gebaseerd op een verkrijging van 50%. De zoon baseerde zijn standpunt op de Memorie van Toelichting, waarin werd gezegd dat bij de verkrijging van een percentage van de economische eigendom de heffingsgrondslag hetzelfde percentage van de waarde van de volle eigendom was. Volgens de zoon geldt dat in maatschapsverhoudingen het economische belang in een onroerende zaak overeenkomt met het belang bij de stille reserves daarvan. De rechtbank was het met deze opvatting niet eens. Er is geen sprake van eenzelfde uitleg van het begrip “economische eigendom” voor de inkomsten- en overdrachtsbelasting. Uit de maatschapsakte volgde dat de zoon door de inbreng een belang van 50% had gekregen in de boekwaarde van de woning op het moment van de inbreng. De inspecteur heeft daarom terecht geheven over de helft van de waarde van de onroerende zaak.
Een maatschap, bestaande uit moeder en zoon, dreef een melkveebedrijf. Tijdens het bestaan van de maatschap bracht moeder per 1 januari 2004 de economische eigendom van het woonhuis met tuin en ondergrond in de maatschap in. Tot die tijd had de maatschap slechts een gebruiksrecht. In verband met de inbreng van de economische eigendom werd de maatschapsakte aangepast. Daarin werd bepaald dat de toekomstige stille reserves in het woonhuis en de ondergrond en tuin voor 99% aan moeder en voor 1% aan de zoon toekwamen. De zoon deed aangifte voor de overdrachtsbelasting wegens de verkrijging van 1% van de economische eigendom van het pand met een waarde van € 155.000. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op, gebaseerd op een verkrijging van 50%. De zoon baseerde zijn standpunt op de Memorie van Toelichting, waarin werd gezegd dat bij de verkrijging van een percentage van de economische eigendom de heffingsgrondslag hetzelfde percentage van de waarde van de volle eigendom was. Volgens de zoon geldt dat in maatschapsverhoudingen het economische belang in een onroerende zaak overeenkomt met het belang bij de stille reserves daarvan. De rechtbank was het met deze opvatting niet eens. Er is geen sprake van eenzelfde uitleg van het begrip “economische eigendom” voor de inkomsten- en overdrachtsbelasting. Uit de maatschapsakte volgde dat de zoon door de inbreng een belang van 50% had gekregen in de boekwaarde van de woning op het moment van de inbreng. De inspecteur heeft daarom terecht geheven over de helft van de waarde van de onroerende zaak.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u