
De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2009 geoordeeld dat de inspecteur in beginsel binnen drie maanden na het indienen van een aangifte een (voorlopige) aanslag moet opleggen om op die manier de berekening van heffingsrente te beperken. Hof Den Haag ziet geen aanleiding om dat arrest zo ruim te interpreteren dat deze termijn ook geldt wanneer iemand geen aangifte heeft gedaan en de hem verleende voorlopige teruggaaf van de heffingskorting wordt teruggenomen op basis van de aangifte van de partner.
Eerder oordeelde de rechtbank anders. De rechtbank vond het tijdsverloop tussen het opleggen van de definitieve aanslag van de partner op 13 oktober 2006 en het opleggen van de definitieve aanslag aan de belastingplichtige zelf op 11 november 2008 te groot. Volgens de rechtbank had de inspecteur binnen een termijn van drie maanden na het indienen van de aangifte van de partner aan de belastingplichtige een (voorlopige) aanslag in overeenstemming met de aangifte van de echtgenoot kunnen en moeten opleggen.
Het hof vond niet dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door te wachten met het opleggen van de definitieve aanslag aan de belastingplichtige. Volgens het hof is er geen rechtsregel dat de inspecteur verplicht om de gegevens van fiscale partners te koppelen.