
Wanneer een BV geld leent aan haar aandeelhouder onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat de BV daardoor een debiteurenrisico loopt dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, geldt als uitgangspunt dat de BV dit debiteurenrisico heeft aanvaard met geen andere bedoeling dan het belang van haar aandeelhouder als zodanig te dienen. Het gevolg daarvan is dat een eventueel verlies op de geldlening niet in mindering op de winst van de BV kan worden gebracht. Dit volgt uit rechtspraak van de Hoge Raad.
Deze overweging van de Hoge Raad geldt volgens de rechtbank Den Haag ook wanneer een BV een lening verstrekt aan haar dochtervennootschap onder onzakelijke voorwaarden. Ook in die gevallen komt een afwaarderingsverlies op de lening niet in mindering op de winst.
De rechtbank kwam tot dit oordeel in een procedure die betrekking had op een BV die aan een dochtermaatschappij een lening had verstrekt van € 113.445. Eind 2002 was de waarde van de lening nihil. De BV wilde de afwaardering van de lening ten laste van haar winst brengen. De lening was achtergesteld bij de leningen van andere geldverstrekkers. De dochtermaatschappij had geen zekerheid verleend. Gezien het geringe eigen vermogen van de dochtermaatschappij, zeker in verhouding tot de verstrekte financieringen, had het eisen van zekerheid voor de hand gelegen. Er was wel een aflossingsschema opgesteld, maar dat was niet nagekomen. De lening was aanvankelijk renteloos. Daarna werd met een bescheiden risico-opslag van 1,25% een rente van 6,25% gehanteerd. Gevolg was dat de BV de afwaardering van de vordering op de dochtermaatschappij niet ten laste van haar winst mocht brengen.